De Ward

De Ward

Het verhaal over de ward

 

Beschrijving van het gebied ten zuiden van de Sint Martinuskerk tot en met de Nooderstrang van de Oude Rijn en wat er allemaal gebeurd is in de loop der jaren.

De Gelderse poort

De Rijnstrangen

De Oude Rijn

De Rosandse polder

Dijken

 

 

Teenhoutgat

Karekiet

De Breuly

De Egelwaai

Klompenmakersbosje

De AA

De Ooyse AA

Liemerse overlaat

Mauritswallen

Ezelswaai

Gelderse poort

De Gelderse poort is letterlijk een poort tussen de stuwwallen, deze is ontstaan doordat de Rijn door de stuwwal is gebroken.

Het landschap is gevormd door overstromingen en menselijk ingrijpen en is van adembenemende schoonheid voor de natuurliefhebber.

Het is een fascinerend rivierenlandschap wat gekenmerkt wordt door rivieren, stuwwallen, uiterwaarden, oeverwallen en oude rivierlopen.

Het is een uniek gebied u kunt overal sporen terug vinden van de hier ooit zo bloeiende kleiwinning en baksteenindustrie.

De Gelderse Poort is voor mensen die Nederland eens van een heel andere kant willen leren kennen, binnen- en buitendijks. Het gebied is rijk aan flora en fauna en ook het aanbod aan streekproducten is erg groot. Het is een verrassend veelzijdige stukje land, dat ongewoon rijk is aan natuur die tot de verbeelding spreekt. Aan water, bos, stuwwallen en glooiingen, ruigtes en trilveen, dijkjes en akkers, en gebied vol bijzondere bloemen, planten, vogels, insecten en goedmoedig rondscharrelend 'wild'. Een ontdekking en een hele belevenis.

De Gelderse Poort omvat (in grote lijnen) de Ooijpolder, de uiterwaarden langs de Waal ten oosten van Nijmegen tot aan Emmerich in Duitsland, het Pannerdens Kanaal, Meinerswijk en het gebied ten noorden van Lobith met het Erfkamerlingschap en de Rijnstrangen. Maar dieren en planten houden zich vanzelfsprekend niet aan deze grenzen. Op zoek naar nieuw leefgebied verspreiden zij zich en soorten die nu hier nog niet voorkomen, kunnen zich de komende jaren ineens bij ons melden.

Sinds 1988 is de bever weer in Nederland aanwezig door herintroductie in de Biesbosch; vervolgens zijn in 1994 de eerste bevers in de Gelderse Poort uitgezet.

Nu is het rivierwater zo schoon dat ze er veilig kunnen leven.

Het is heel lastig om ze te spotten, maar u kunt wel eens letten op vraatsporen en plekken waar ze regelmatig het water in plonsen.

Als u afgebeten takken ziet, omgevallen boompjes met knaagsporen, dan zijn daar vrijwel zeker bevers aan het werk geweest.

In de Rijnstangen gaat de verspreiding van de beverpopulatie langzaam en over de exacte aantallen was tot voor kort niet veel bekend.

Jaarlijks overwinteren meer dan 150.000 ganzen in de Gelderse Poort. In de winter is de dijk langs Oud - Zevenaar een prima tribune voor het ganzenspektakel.De Gelderse Poort is thans opgenomen in een natuurontwikkelingsplan, waarin deze wordt "ontkleid", om vervolgens weer terug te geven aan de natuur. Door dit nu als landbouwgrond gebruikte gebied tot op de oude rivierbodem te ontdoen van zijn kleidek ontstaat een stuk glooiend uniek ongerept gebied met een prima wisselende dynamiek. Met verdere natuurontwikkeling probeert men in dit gebied weer iets terug te krijgen van de diverse plantengroei en kruidenrijke graslanden die er ooit waren. Het is een broedgebied voor weidevogels. Het is tevens een uniek natuurgebied met een bijzondere plantengroei.

Gelderse waard

Grote Gelderse waard.

Hier vindt thans beweiding plaats, mede gericht op het scheppen van een geleidelijke overgang tussen het kale landbouwgebied en het ruige strangengebied.

Het beheer is de laatste jaren slechts een “nietsdoen” beheer geweest.

De mening van Twickel voor de toekomst is: Geen waterregime van een max. peil van 11 meter.

Werken in de richting van duurzame landbouw en lokale natuurwaarden te ontwikkelen binnen de bedrijfsvoering. Op de Grote Gelderse waard werd vroeger vooral jong vee ingeschaard. Er was dan een waardsman, die de zorg voor het vee tegen betaling op zich nam.

 

Kleine Gelderse waard.

Een groot deel van de gronden is uit de pacht en er is ongeveer 60 ha nieuwe natuur ontstaan.

In het kader van de natuurontwikkeling is hier van reliëf volgende ontkleiing voorzien, welke het oude patroon van slenken en stroomruggen moet herstellen.

Een belangrijke aanname hierbij is dat in dit gebied diepe kwel (vanuit Montferland) optreedt, hetgeen een zeer gunstige uitgangvoorwaarde is voor een rijke flora en fauna.

Rijnstrangen

De Noordstreng heeft een verregaande ontwikkeling doorgemaakt in de richting van verlanding en daardoor ontstaan griendbossen.

Hiervoor wordt het “nietsdoen” beleid uitgevoerd.

In de Zuidstreng is nu nog veel open moeras en rietlanden er treedt al verruiging en verbossing op.

Het ligt in de planning om de beboste delen te laten verwilderen en de open moerasstukken en rietvelden te gaan beheren.

Lokaal griendhout weer afzetten om verjonging en structuurvariatie aan te brengen. De rietvelden vrijstellen van wilgenopslag, het oude riet maaien en het oude opgehoopte bodempakket met een kraan opruimen en een maaibeheer van de rietlanden instellen.

 

 

De Rijnstrangen is een fraai natuurgebied met uitgestrekte polders en machtige dijken. Er is geen betere manier dan kennis te maken met dit bijzonder land gevormd uit klei dan een flinke wandeling door dit gebied te maken. Tijdens de wandeling kunt u genieten van de natuur en van het rivierenlandschap. Ruige grassen, uitgegraven kleiputten en meer dan manshoge dijken. Als u op de dijk bij de kerk staat overziet u een landschap niet alleen gevormd is door woeste wateren, maar waar ook geschiedenis werd geschreven in onze nationale tachtigjarige oorlog.

De sporen van de oorlog zijn gewist. De verhalen blijven en ook de pracht van het machtige door klei gevormde land. Als u op de dijk staat, ziet u bij mooi weer een zeer karakteristieke omgeving, daar dit gebied wordt omgeven door stuwwallen. Vanaf de dijk heeft men een prachtig uitzicht op:

- de Elterberg

- de heuvelrug van Kleve;

- de heuvelrug bij Nijmegen;

- en de Veluwezoom.

De overgangen van hoge naar lage gronden en het toestromend grondwater zijn een verdere verrijking van dit gebied. Waarin ook de mens zijn aandeel heeft gehad in het ontstaan van de huidige Rijnstrangen.

Waterbeheersing, rivierverleggingen, bedijking, kleiputten, het landbouwkundig gebruik en zandwinningplaatsen drukken een belangrijke stempel op het gebied.

Water speelt een grote rol in de Rijnstrangen zowel kwel, grondwater en afwatering van het aangrenzend Duits gebied. In de uiterwaarden ten zuiden van Oud Zevenaar kan men aanschouwen hoe een rivier in het verleden kon bouwen en breken.

De inwoners hebben eeuwenlang een felle strijd gevoerd tegen het grimmige gedrag van de Rijn.

 

Het is een prachtig gebied met:

-rietmoerassen met amfibieën en moerasvogels;

-de plassen zijn van groot belang voor watervogels;

-grote oppervlakte voedselrijke graslanden zijn de belangrijkste ganzengebieden en ook voor weidevogels;

-de ooibosvorming zorgt voor een verrijking van het gebied.

 

In de Rijnstrangen kan het waterschap de stuw bij Kandia in het voorjaar hoger zetten. In 2005 leidde een verhoging van het voorjaarspeil van 9.75 m naar 10.00 m + N.A.P. al tot een terugkeer van de Roerdomp in de Rijnstrangen. Het lijkt echter mogelijk om het water hier tot op een hoogte van 10.40 m vast te houden. Hierdoor worden grote arealen verruigd riet weer natter. Het blijft helaas onzeker of deze lokale peilmaatregelen op lange termijn duurzame rietmoerassen zullen opleveren.

 

Zeldzame paddenstoel gevonden:

Kroontjesknotszwam

Eind 2009 is in de Rijnstrangen, in de omgeving van het Berghoofdse Veer, een kroontjesknotszwam gevonden. Het is een paddenstoel die in eerste instantie doet denken aan een koraalzwam, maar niet met deze groep verwant is. De zwam stond boven op een knotwilg en zat vast op een bemost stukje van de knot. Waarnemingen van de kroontjesknotszwam in Nederland zijn zeer bijzonder.

Het Rijnstrangengebied heeft een grote cultuur- en natuurhistorische waarde. In het gebied liggen nog diverse "pollen", woonterpen. Als ook rabatten, verhoogde walletjes waarop men bomen voor de houtopbrengst plantte.

Maatregelen die worden getroffen zijn:

- Vooral de opdringende wilgenopslag is slecht voor het gebied. Men is bezig om verbossing en verruiging van het gebied tegen te gaan zodat het rietmoeras de gelegenheid krijgt te herstellen.

- Riet maaien, verwijderen en afvoeren van de humusbovenlaag en het graven van een watervoerende geul vallen onder de werkzaamheden.

- Ook houtopslag, vooral van wilgen, wordt verwijderd.

Broedvogels

Het Rijnstrangengebied is enkele honderden hectaren groot. Samen met terreinen van Staatsbosbeheer wordt nu totaal vijftig hectare aangepakt. Staatsbosbeheer en stichting Twickel hebben al eerder actie ondernomen om het leefgebied van de vele vogels in het moeras te verbeteren. Naast de kwetsbare roerdomp en grote karekiet kent het gebied een rijke broedvogelbevolking. De zilverreiger, blauwborst, zwarte stern en vele andere soorten maken dankbaar gebruik van het rietmoeras.

De Oude Rijn

Er was voeger veel verkeer via water vooral graan vanuit Engeland was belangrijk voor het Duitse Rijngebied. Om u een indruk te geven er passeerden in 1306 te Oud-Zevenaar nog zo’n 2500 schepen. Het water heeft meer dan een keer de zwakste schakel in de dijk kunnen vinden, met alle narigheid van dien. Door de hoger wordende Noordzee, die een snel afstromen van de rivieren belemmerde, kwam watersnood steeds vaker voor. De eerste dijken die men bouwden hadden heel wat minder bochten dan wat we nu aantreffen en ze waren maar enkele meters hoog.

In 1328 werd een dijkbrief geschreven, waarin de bedijking van de Liemers werd aangekondigd, van Offlande (Halsaf) tot Giesbeek en de dijken werden in 1328 aangelegd. Bij een hoge waterafvoer vond er een aanzienlijke bodemerosie plaats en de buitenbochten werden aangetast. Het losgewoelde zand werd in de volgende binnenbocht in sikkelvormige ruggen opgeworpen, waardoor een richel en geulenlandschap ontstaat. Het zuidelijk deel van de Rosandse polder is een goed voorbeeld van dit landschap.

Begin 1707 werd het Pannerdenskanaal gegraven en werd de splitsing in westelijke richting verplaatst. In 1775 werd het Bijlandskanaal gegraven. Zodat de OudeRijn langzamerhand dichtslibde. In 1780 werd bij het huidige Tolkamer begonnen met versmalling van de Oude Rijn. De Oude Rijn bleef veel water voeren, omdat de Spijkse Overlaat open bleef. In 1959 werd die overlaat opgehoogd en kwam alleen nog water via Kandia vrij het gebied binnen. In 1970 werd er een gemaal geplaatst dat tot heden het water reguleert. Daarna ging het verzanden van de Oude Rijn nog sneller.

Het waterschap gaat nu het waterpeil in de Oude Rijn aanpassen om natuurontwikkeling in de Rijnstrangen te bevorderen. Het verhogen van het waterpeil is nodig om verdroging van de Rijnstrangen te bestrijden en de kwaliteit en diversiteit van de natuur in het gebied te vergroten. Het waterschap bereidt momenteel concrete maatregelen voor om het gewenste waterpeil daadwerkelijk in te stellen.

De Rosandse polder

De waard Rosande wordt reeds in 1538 genoemd.

De Rosandse polder oftewel de gemeene waardse polder is onderdeel van de Rijnstrangen. Eind mei plaats Staatsbosbeheer een vijftig tal vlotjes in de noorder streng voor het broeden van de Zwarte Stern.

 

De Gemeinte.

De buurtschappen Ooy en Oud Zevenaar hadden in 1723 een gemeenschappelijk weideterrein, ontstaan door het afnemen van ongecultiveerde gronden heten in de volksmond "gemene gronden of kortweg " de gemeinde".

" De gemeine Hutungsgronden", liep van de kerk van Oud-Zevenaar tot de Pannerdenseweg. De uitgegraven gronden werden gebruikt voor dijk - en wegenonderhoud. De gemeine hutung werden plaatsen genoemd waar het vee kon grazen. Vee dat ten onrechte rondliep, zowel op de gemene als private grond, werd door schutter(of scheuter) opgebracht naar de schutstal. Tegen een boete kon men het terugkrijgen. In 1723 was dit gehele stuk Gemeine Hutung.

Ook werd op die gronden wilgen en knotwilgen geplant, om boerengeriefhout te krijgen. men maakte er bezems en bezemstelen van en men gebruikte het als bonenstaken.

In 1325 werden er al dijken aangelegd.

Dwars door de Rosandse polder loopt de waardensedam. De naam waardensedam is ontstaan doordat de dam was aangelegd in de waard.

Op zaterdag 28 oktober 1944 stortte een B-17 (Flyingfortress) neer in de Rosandse polder. De bemanningsleden waren er tevoren uitgesprongen. Nadat de B-17 door de Flak was geraakt en één motor in brand was gevlogen. Werd boven Emmerich het toestel op de automatische piloot gezet en sprong de bemanning uit het vliegtuig. Het vliegtuig maakte een cirkelende beweging via ’s Heerenberg, Braamt, Beek, Babberich, Ooij en Pannerden. Het vliegtuig boorde zich met een enorme klap in de Rosandse polder en veroorzaakte een enorme krater.

Dijken

De eerste dijken die men bouwden hadden heel wat minder bochten dan wat we nu aantreffen.

Het aanleggen van dijken was een hele klus, het vereiste vakmanschap en een goede organisatie, al het werk werd met de schop en de kruiwagen gedaan. Het zand haalde men uit de buurt waardoor de zogenaamde dijkputten ontstonden.

 

Schouwen

De hoofdpersoon was de dijkgraaf, wanneer een dijk geschouwd moest worden reed de dijkgraaf te paard, over de dijk gevolgd door de heemraden. Men begon op een bepaalde plaats die men aanschouw noemden en het eindpunt heette afschouw. Er mocht alleen ‘s morgens geschouwd worden bij ‘climmende sonne’.

 

De spadesteking.

De naast gelegen bewoners (dijkgeslaagden) bij een dijkdoorbraak waren verantwoordelijk voor de herstelwerkzaamheden. Bij klokkenslag werden dan alle hand- en spandienstplichtigen uit het gebied opgeroepen, om met kar en paard of met de spade de z.g.n. veldlaag aan te brengen. Als men aan de oproep geen gehoor gaf, was de dijkgraaf bevoegd om tot strafvervolging over te gaan. Als men de herstelwerkzaamheden niet kon betalen moesten de ongelukkige dijkplichtigen hun have en goed verkopen. In geval van onvermogen bleef er maar een middel over: de spadesteking, men moest in nederige kleding, barrevoets en blootshoofds op de dijk verschijnen met een spade in de hand en moest ten overstaan van de dijkgraaf en heemraden de spade in de grond steken en zweren dat hij geld nog goed had om de dijk te herstellen.

Later werden de herstelwerkzaamheden door de gemeenschap betaald.

Bij een stand van 13,5 m te Keulen was de dijkgraaf verplicht, de dijkwacht op te roepen. Om 16.00 uur ging de wacht. De wacht was verplicht voor alle mannelijke ingezetenen tussen 18 en 60 jaar. In het wachthuis werd voor licht en vuur gezorgd alsmede twee maatjes jenever per persoon. Men liep wacht vanaf het Polderhuis te Oud- Zevenaar tot het wachthuis te Groessen/Loo.

Vlak achter het Polderhuis aan de O. Zevenaarsedijk waren twee meetputten.

Dijkdoorbraken in:1431 (Breuly), 1497(Leuffen), 1584(Oliemolen), 1638(Leuffen), 1744, 1770(Oliemolen, het Gelders Eiland overstroomde 7 keer in dat jaar), 1783, 1798 (Leuffen), 1809.

Dat de schrik in herinnering leeft blijkt uit een gezegde ‘ Gij kon de boks niet zo gauw antrekke of het water stond al achter de diek.’

In 1868 is de dijk bij de kerk verhoogd en daarmee kwam een eeuwenoud voetpad door de weilanden naar de Nooteboom en Kiekuit op Grondstein te vervallen.

Vroeger troffen we in gebouwen de ‘hakkenbout’ aan die de hoogste waterstand aangaf, dit was een ijzeren pin in de muur geslagen.

 

De Wejenward

De wejenward ook wel het teenhoutgat genoemd, dat onder aan de dijk aan de voet van de kerk ligt is ontstaan door de grond te gebruiken voor het ophogen van de dijk en is 2,5 hectare groot.

In 1723 was dit gehele stuk Gemeine Hutung. Het wordt ook wel eens het weeënbosje genoemd of pestbosje.

Het is een vochtig wilgenbosje met rabatten. Het ondoordringbare oude griendbos is erg in trek bij diverse zangvogels. Met regelmaat broeden er de volgende soorten: de grote lijster, de zanglijster, de braamsluiper, de merel, de grasmus, winterkoning, de tuinfluiter, mezensoorten zoals pimpelmees, matkopmees, de glaskopmees en de koolmees, de fitis en de tjiftjaf, de boomkruiper en de grote bonte specht. Ook de reeën gebruiken het bos als schuilplaats.

 

Aan insecten ontbreekt het in dit natuurgebied niet omdat de vogelsoorten leven van insecten. Ook de dwegvleermuis is er te vinden en er leven amfibieën zoals bruine kikker, gewone pad en de kleine watersalamander. Je treft er ook vlinders zoals klein koolwitje, dagpauwoog en atalanta aan.

De naam van het bosje is ontstaan, doordat het bosje werd gebruikt voor geriefhout (wilgentenen). Kenmerkende soorten zijn els, es, wilg en populier. Het teenhoutgat had de functie voor het leveren van hout voor afrasteringpalen, voor gereedschappen en voor brandstof. Soms zijn zulke bosjes ontstaan, waar vee ie WejenwardDe wejenward ook wel het genoemd, en is 2,5 hectare groot.

Werkgroep Landschap Oké, dat bestaat uit vrijwilligers zetten zich in voor onderhoud van kleine landschapselementen. Bijvoorbeeld het voorkomen van dichtslibben van waterpoelen, onderhouden van hooilandjes en dijktaluds. De werkgroep heeft een subsidie ontvangen om de wejenward op te knappen, wat in 3 fasen wordt aangepakt. Een aantal wilgen worden onderaan afgezaagd terwijl andere halverwege. Later worden er ook eiken gepland. Op die manier ontstaat meer variatie in het teenhoutgat.

Karekiet

Achter de dijk bij de Breuly is een natuurontwikkelingsgebied gerealiseerd, de Karekiet genaamd. Peppels werden gerooid. Hout moest worden afgevoerd en de afgegraven grond werd verwerkt in het wandel- schouwpad aan de zuidzijde van de plassen. Er werden duizenden rietplanten gepoot. Met de bedoeling dat uiteindelijk de kleine en grote karekiet weer terug zal keren en er te gaan broeden.

Begin jaren zeventig was het in het voorjaar een normale verschijning dat deze vogel de brede rietkragen koos van de Breuly. Tot ver in de omgeving klonk zijn naam “karr, karr, kiet, kiet, karrekiet.

De vogel voelt zich het best thuis als het omgeven is van pinkdik riet in rustig water.

Hij bouwt zijn nest aan de buitenzijde van de rietkraag, zodat hij een vrij en ruim uitzicht heeft.

Doordat het water van de aangelegde plassen ondiep zijn en zeer glooiend is aangelegd, vormt het een eldorado voor kikkerkolonie, padden en daar leeft ook de zeldzame kamsalamander.

 

Maar ook rietgorzen, baardmannetjes, buidelmezen en rietzangers zullen er ongetwijfeld veel plezier beleven. Met regelmaat broeden er de Doodaars, de waterhoen, de meerkoet, de wilde eend en de braamsluiper. Ook heeft men er al sporen van een bever gevonden en een beverburcht. In de trektijd zijn er de zwarte stern, de grote en de kleine zilver reiger, zelfs de roerdomp is er aangetroffen.

In en langs de sloot staan zeer bijzondere planten, de waterviolier, die alleen in kwelwater groeit. Ook de zeldzame moeraswolfsmelk vind je hier. Ook tref je de minder beminde grote berenklauw aan, met haar prachtig bloemscherm.

Het pad is onderdeel geworden van het struinpad “Gangen door de strangen”.

Honden zijn er niet toegelaten.

De Breuly

Het is zeer waarschijnlijk dat in 1432 de Ooysedijk is doorgebroken en daardoor de Breuly is ontstaan. Het oudste archief stuk waarin de kolk wordt genoemd dateert uit 1559.

Het woord bruil is een oud woord. Er wordt een laag, vochtig, waterig moerassig, met gras of houtgewas begroeid land mee aangeduid. Op oude tekeningen wordt de naam Breuling vermeld.

Sommige wielen werden binnengedijkt, de meeste echter buitengedijkt. Bij de Breuly zijn er al meerdere malen een dijkdoorbraak geweest, omdat er achter de Breuly geen overslag gronden te vinden zijn. Anderen zeggen dat de Breuly niet door een dijkdoorbraak kan zijn ontstaan. Zo’n diep gat kan alleen op die manier ontstaan bij doorbraak van hoge dijken en die gaan historisch niet zo ver terug als de bewijsbare aanwezigheid van de Breuly. Er is geen dijkdoorbraak in de geschiedenis vermeld en er zijn geen overslaggronden, het gaat eerder om een stuk van de oude rivierloop, een zijtak van de AA.

 

 

Er doen zich de meest vreemde verhalen de ronde over de Breuly.

Zo zouden er regelmatig rare schimmen boven het water hangen en in de Kerstnacht zou er klokkengelui te horen zijn van een kerk, die door het water verzwolgen zou zijn.

Er is ook een mooi verhaal over de Breuly, de Brulle genaamd.

 

De Egelwaai

Deze kolk herinnert aan één van de vele dijkdoorbraken van de Oude Rijn.

Zowel de kolk links als rechts van de weg wordt de egelwaay genoemd. De weg is aangelegd op een van de geslechte dijkstukken. In 1818 lag er een brug over de Egelwaai

De egelwaay wordt reeds in 1583 genoemd en sinds 1930 beheert de Familie ter Heerdt de Egelwaay.

 

 

 

Klompenmakersbosje

Onder aan de dijk bij de afslag naar richting grote Geldersewaard.

Hier staan schietwilgen en populieren. Een onderbegroeiing van moerasbramen, en een zeer bijzondere plant de moeraswolfsmelk. Deze plant staat op de rode lijst van beschermde planten.

Er komen verschillende vogelsoorten voor in het klompenmakersbosje namelijk de bonte specht, de groene specht, de tjiftjaf, de fitis, de boomkruiper, goudhaantje, de roodborstheggemus, de grote zanglijster en mezen (pimpel-, kool-, matkop-en glanskopmees).

In een hoge populier broedt de buizert.

 

De AA

In de 12e eeuw toen de rivier weer wat agressiever werd ontstonden diverse stroompjes waaronder de AA. De naam Aa is terug te voeren van een Germaans woord voor water AHA. Door de werking van de rivier de Rijn kwam het voor dat een oeverwal werd doorbroken en dan ontstond een oeverwaldoorbraakgeul. Op deze wijze is in het verre verleden onder andere de waterloop de Aa ontstaan. Wanneer de Aa exact is ontstaan is niet bekend. Maar men gaat uit van ongeveer de 6e eeuw.

Tijdens hoogwater van de Rijn werd door de nieuw gevormde stroomgeul veel water afgevoerd en ontstonden in de loop der tijd ook hier oeverwallen of ook wel stroomgronden genoemd, die in het algemeen hoog zijn gelegen en derhalve weinig overlast van water hadden. Het spreekt voor zich dat bij voorkeur de hoog gelegen oeverwalgronden werden uitgekozen voor de bouw van nederzettingen; zo ook bijvoorbeeld het ontstaan van Oud-Zevenaar in de achtste eeuw.

Vanuit het oorspronkelijke dorp Oud-Zevenaar ontstond in de 13e eeuw langs de Aa een lintbebouwing die zich noordwaarts uitstrekte tot aan de Zweekhorst. De naam Huize Mathena, waar voorheen het Liemers Museum was gevestigd, zou “Maat (weiland) aan de AA betekenen”. Door het steeds opdringen van de Rijn verplaatste het zwaartepunt van de woongemeenschap zich namelijk naar de kruising van wegen op de plaats waar nu de kern van de stad Zevenaar is gesitueerd. De voormalige bedding van voornoemde Aa heeft richting gegeven aan een vroege lintbebouwing in Zevenaar, die nu nog in het stratenpatroon kan worden onderkend. De waterloop de Aa ontstond, zoals reeds werd vermeld, tengevolge van een doorbraak van de oeverwal nabij Oud-Zevenaar. De stroomgeul van de Aa volgde hier het tracé van de huidige Oud-Zevenaarseweg en ging verder haar weg via de Kerkstraat, Markt, Marktstraat en Grietsestraat. Door recent onderzoek met grondboren kon de exacte loop van de Aa door het centrum van de stad Zevenaar worden vastgesteld. Nabij het gemeentehuis in de Kerkstraat had de Aa-bedding een breedte van ongeveer 60 meter en een diepte van nabij 3,5 meter. Bij de Markt was de diepte van de Aa geringer maar de stroom was breder en ter hoogte van de Didamsestraat had de Aa een breedte van circa 100 meter. Bij Oud-Zevenaar had de Aa een zijtak, lopende ongeveer langs de huidige bandijk naar de Toetenburg en dan door de bekende laagte bij Ooy, het waterleidingstation, richting kruispunt van wegen naar Groessen, Pannerden, Zevenaar. Men kan deze tak vervolgen tot een eind de Methen in.

Het is zeer waarschijnlijk dat de Aa al vóór 1328 bij Oud-Zevenaar werd afgedamd. In de late middeleeuwen is de Aa dichtgeslibd.

 

De Ooyse AA

De Ooyse Aa

Het buurtschap Ooy maakt onderdeel uit van de middeleeuwse oeverwal langs de Oude Rijn, die van Babberich via Oud-Zevenaar, Ooy, Groessen en Loo richting Westervoort loopt. Bij hoog water op de Rijn liep het water over deze oeverwal heen en stroomde het komgebied van het Broek ten noorden van Duiven en Zevenaar vol.

Waar het water het eerst over de oeverwal heen liep, sleten zich geulen uit. De Aa in Zevenaar en de Ooijse Aa zijn twee van dergelijke geulen. Deze heten crevassegeulen of oeverwal-doorbraakgeulen. Beide zijn in de vroege middeleeuwen ontstaan, tussen de 7e en 10e eeuw. Op de stroomrug langs de Ooijse Aa is de eerste bewoning in Ooy ontstaan.

De stroomgeul van de Ooijse Aa had een breedte die varieerde van zo’n 20 tot 80 meter. De voormalige geul is ook nu nog wel in het landschap herkenbaar. De eerste plek waar ze nog herkenbaar is, is bij boerderij De Toetenburg (Slenterweg). Het kolkje bij de boerderij is nog een restant van de oude geul. Van hieruit loopt een sloot in de richting van het gebouw van Crescendo, het voormalige waterpompstation (hoek Rosandeweg /Slenterweg). Het bosje, enkele woonhuizen, het schuttersgebouw, het kermisterrein en het bosje op de hoek Slenterweg/Pannerdenseweg liggen allemaal (op de voormalige gemene gronden) in de dichtgeslibde geul, zo blijkt uit de bodemkartering. De hoogteverschillen zijn hier echter nagenoeg verdwenen. Het volgende stuk van de dichtgeslibde bedding is nog wel redelijk herkenbaar voor wie goed kijkt. Het is de laagte met weilandjes langs het fietspad van de Pannerdenseweg.

 

De Liemerse Overlaat

Het was het plan om een zijdelingse aftak van de Nederrijn door de Liemers te maken. Dit was mogelijk omdat de Oude Rijn bij hoog water nog functioneerde als een rivierarm. Bij hoog water stroomde veel water de Oude Rijn binnen. Om het mogelijk te maken om een groot deel van dit water de Liemers in te laten stromen, werd in 1809 de Liemerse dijk bij de havezate Kamphuizen over een afstand van 3100 ellen (2260 m) verlaagd. Daardoor kon bij hoogwater een deel afvloeien naar de Liemers en bij Bingerden de IJssel in stromen. De Liemers werd vroeger vrijwel jaarlijks geteisterd door overstromingen en om dit onheil te voorkomen werd besloten om een gedeelte van de Liemerse dijk te slechten en daarvoor een overlaatskade aan te leggen. Zodat de Rijn zich bij hoog water over de Liemerse polder in de IJssel zou kunnen ontlasten. De ingezetenen waren hierop tegen en in 1809 werd hun verzoek afgewezen.

In 1811 werd de Liemerse overlaat aangelegd, die 1 meter lager was, om Stalbos, Pleuniswaard en de kaashoeve heen.

Deze Liemerse overlaat lag bijna gelijk met de waardense dam. In 1814,1820 en tweemaal in 1850 werkte de overlaat.

De overlaat bood weinig soelaas en de situatie werd te belastend ervaren en werd de dijk in 1852 op bandijk hoogte gebracht. Dit betekende een verhoging met 1,6 meter.

De overlaat is in het landschap nog steeds traceerbaar. Hij vormt zo een belangrijke cultuurhistorisch monument dat getuigt van de angst en paniek die de Liemerse bewoners

ervoeren.

De Mauritswallen

In de uiterwaarden bij de kerk van Oud Zevenaar hebben verdedigingswerken gelegen.

Gedurende de tachtig jarige oorlog is het territorium van het hertogdom Kleef niet gespaard gebleven van krijgshandelingen, zowel door de Staatse als Spaanse soldaten. Het stroomgebied van de toenmalige Rijn ten zuiden van Oud Zevenaar stond tussen 1568 en 1648 centraal in dit krijgsgewoel. Schenkenschans was “de sleutel tot de tuin van Holland”

In 1589 hadden de Spanjaarden Emmerich op de Staatsen veroverd. ”Opdat den vijand niet in de Betuwe soude komen” Gaf hij opdracht om mede in de Rosandse polder te “rentrancheeren”.

Op 5 oktober 1592 “logeerde” de Prins in Zevenaar en op de Gelderse waard er werd een schipbrug (44 “aecken”) geslagen om een verbinding met Schenkenschans en de Betuwe te krijgen, om zo zijn leger makkelijker van de Betuwe naar de Liemers en de Achterhoek te kunnen verplaatsen. Daar hij niet wist van waaruit welke richting hij zou worden aangevallen. Daarom legde hij een schipbrug aan en richtte bij Oud Zevenaar een uitgebreid bruggenhoofd met verdedigingswerken aan.

In 1598 trok het Spaanse leger onder Mendoza met een leger van 25.000 man bij Roermond de Maas over.

Maurits legerde 8000 man op de plek in de Gelderse waard.

Om voldoende aarde voor zijn veldwerken te verkrijgen liet hij ”de kercke van Oudst Sevenaer rondomme af doen steken, om te stercken ende daermede te bevrijden de passagie nae Doesborch en de te maken by de Kerck van Oud-Sevenaer drie Bateryen om grof geschut te planten en buyten te trencheeen, halve maenskens ’t welck gheschiede met groote neesticheijt”. Tevens werd de kerk tot paardenstal ingericht.

”Ten minsten schade” luidde de order van kolonel van der Noot en de ambtman van Over-Betuwe. Dat het geen loze kreet was in het gedisciplineerde leger van prins Maurits, bewees het feit, dat men op de Gelderse Waard de hutten, die er van een vorige legering nog half stonden, weer in fatsoen bracht en in gebruik nam. Maar oorlog is oorlog en van soldatenvolk kon men geen voorzichtigheid in de porseleinkast verwachten. ’s Landschaps kribben en waarden waren ”met desen kriegswezen ende inlegeren seer vergraven, verhacht, verhouwen en hinwech geloepen, die olde wilgen meest affgehouwen en de van kriegsluyden geschelt zijn”, constateerde men. En Rutger Goris, pachter op de Gelderse Waard had zijn twee ”bergen”, dat wil zeggen korenloodsen, toch maar afgebroken en de voorraden binnenshuis gebracht, ”vresende voor stelen ende verdestruiren van den kriegsluyden, die albereit daeraen gewest hebben.”

De grond rondom de kerk werd afgegraven voor voldoende aarde voor zijn veldwerk. Tevens werd de kerk tot paardenstal ingericht. De Gelderse waard was weer een legerkamp geworden.

Tegen de beschieting door kannonen met een directe richting was de hoogte niet meer belangrijk maar wel de dikte. Aangezien aarden wallen beter waren dan stenen muren, omdat de kanonskogel dan gesmoord werd.

Bastion was een vijfhoekig uitsteeksel van de wal.

Een redoute was een eenvoudig rechthoekig gesloten veldwerk. Op 8 november 1598 tracht Mandoza een overgang te forceren vanuit de Eltenberg.

Mendoza trok zich terug en doordat de Rijn door de langdurige regens begon te stijgen verplaatste Maurits zijn troepen over verschillende garnizoensteden. In 1602 keerden Maurits nogmaals terug, hij bracht een troepenmacht van 18000 man voetvolk en 5000 man cavalerie mee. Tot aan de vrede van Munster in 1648 zouden de Staatse troepen nog herhaalde malen "logeren" op kosten van de inwoners.

 

Tijdens de ergste onlusten was de kerk een hoofdkwartier van het leger, vanuit de toren had men een goed zicht op de Elterberg en Schenkenschans, waar het Spaanse leger bivakkeerde. Het kerkhof was met wallen omringd en versterkt met palissaden. Touwbruggen die over de wallen waren gespannen gaven toegang tot de kerk. Men nam het houten meubilair uit de kerk om het in de schansen te verwerken of men maakte er vuur mee. Zelfs de doden op de begraafplaats werd geen rust gegund. Pas gedolven graven werden geopend, de kisten opgegraven en het lijk werd in het gat geworpen en de doodskist werd als schilwachthuisjes op de wal gebruikt.

Tijdens het verblijf maakten de soldaten zich schuldig aan plunderingen. Paarden, koeien, ossen, geld en goederen verdwenen. De mensen werden daarbij niet ontzien en hun werden vaak zwaar lichamelijk letsel toegebracht. Ook de pastoors hebben vaak de wijk moeten nemen naar de stad Zevenaar.

Tijdens de oorlog legden de soldaten eigenmachtig brandschatting op. Indien zij deze schatting niet konden betalen ging men over tot plundering en werd alles daarna in brand gestoken. Op 15 juni 1582 op St. Vitusdag ging ook de torenspits in vlammen op, nadat de krijgslieden voornemens waren de kerk te ontruimen en daarna aan de parochie over te dragen. Zij eisten een afkoopsom, Het geld was er niet men leefde in armoede. Een overleg, met veel bidden en smeken mocht niet baten.

Nog enkele decennia lang zijn deze sporen van Maurits in de waard zichtbaar gebleven, totdat de vruchtbare kleilaag in de jaren negentig werden afgegraven.

Bij een luchtverkenning in 1973 waren nog de omtrekken van twee bastions te herkennen en bij een daarop volgende veldverkenning heeft men één bastion teruggevonden en de andere kunnen lokaliseren.

 

De Ezelswaai

De Ezelswaai.

Deze waai moet zijn ontstaan bij een dijkdoorbraak in 1784. Links achter boerderij Toetenburg (nummer 16) een drooggevallen wiel; de Ezelswaay. Een wiel ontstond vroeger bij een dijkdoorbraak. Door het binnenkolkende water werd de grond ter plaatse diep weggeslagen. Bij herstel werd de nieuwe dijk om de kolk gelegd; vandaar de vele kronkels in oude dijken. De naam is ontstaan doordat er ezels werden gebruikt als transportmiddel om de dijk te herstellen.

 

Copyright © 2013 - Oud-Zevenaar - Wepdiezainer -

 

Niets van deze site mag zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteur worden gebruikt.

 

 

"Like" Oud-Zevenaar op

Facebook en/of volg ons op Twitter: