Natuur

Natuur

Flora, fauna en fungi in en om Oud-Zevenaar

 

Welke planten en dieren en paddenstoelen kunnen we tegenkomen in de omgeving van het dorp?

Wilt u meer lezen over flora, fauna en fungi in de deelgebieden van Oud-Zevenaar en Plantlore?

Klik dan hierboven één van de onderwerpen aan.

De natuur in en om Oud-Zevenaar

 

 

Poelen

Heggenstructuur

Dijktalud

Ooievaarsnesten

Knotwilgen

Rietkragen

Sloot

Poelen

Afstromend grond- of kwelwater en/of regenwater zorgen voor de aanwezigheid van water. In het verleden zijn poelen aangelegd voor drinkwatervoorziening van vee, als wasplaats of als bluswaterreservoir. Momenteel worden poelen aangelegd vanwege hun betekenis voor flora, fauna en landschap.

 

Het nut van een poel:

-voortplantingplek voor dieren ,voornamelijk amfibieën, vissen, libellen en andere insecten

-voedsel-,drink, en badplek voor weidevogels en zoogdieren

-soortenrijke watervegetatie

-behoud van cultuurhistorische waarde

-drinkplek voor vee

-huis- en boerenzwaluw vinden langs de oever modder voor het bouwen van nesten.

 

In de poelen bevinden zich vele amfibiesoorten waaronder de groene kikker, de pad, de bruine kikker, de kamsalamander, de kleine modderkruiper en de rugstreeppad. Veel watervogels maken gebruik van de poelen.

In de poelen komen de navolgende waterplanten voor: gele lis, watermunt, grote kattenstaart, gele plomp, fonteinkruid en watergentiaan en riet.

Een wiel is een water dat is ontstaan na een doorbraak van de rivier, maar in vergelijking met drinkpoelen zijn ze dieper.

 

Heggenstructuur

Heggen, hagen, houtwallen, houtsingels.

Ze boden schaduw en luwte en leverde hout voor dagelijks gebruik, de geschiedenis gaat terug tot ongeveer 550 jaar voor onze jaartelling. Andere eigendomsmarkeringen waren ophogingen van keien en zand, het graven van greppels. In aanmerking komen: de meidoorn, de sleedoorn, de hondsroos, de kornoelje, de Gelderse roos,de vlier, de katwilg, de zwarte els, de eik, de populier en de iep.

De definitie van een heg: een lage, doorgaans blokvormig geknipte rij dicht naast elkaar staande struiken van buxus, liguster of haagbeuk. Deze heggen staan vooral rondom boerentuinen of delen ervan.

Onder een haag wordt verstaan,breed uitgroeiende heggen met meidoorn, sleedoorn, Gelderse roos en dergelijke.

 

Heggen

In heggen broeden vaak heggenmus en andere vogels. De marters, hermelijn,wezel en de pad kunnen er voedsel zoeken en schuilen.

 

Hagen

De grote hagen worden machinaal geknipt door loonwerkers. Eerst wordt de ene kant van de weg geknipt en jaren later de andere kant, zodat de dieren, vogels en insecten hun schuilplaats kunnen verplaatsen.

In heggen en hagen komen klimplanten in voor zoals hop, kamperfoelie en bosrank. Dagvlinders als landkaartje, bont zandoogje en koevinkje zijn vaak op zoek naar voedsel en een plek om eieren af te zetten. Ze dienen voor:

-Nest-, schuil-,en voedselgelegenheid voor vogels en zoogdieren

-Verbindingsweg voor zoogdieren, amfibieën en vlinders

-Een aantrekkelijk landschap

-Instandhouding van een cultuurhistorisch element.

In de ondergroei treft men en keur van kruiden aan zoals: nagelkruid, look zonder look en hondsdraf.

Boeren brachten vroeger bij het ontginnen van grond stobben,keien en zand naar de perceelranden waardoor langgerekte wallen ontstonden. Ze kregen al snel de functie van eigendomsmarkering en perceelscheiding. Vaak werd aan beide zijden een greppel gegraven zodat het ook dienst kon doen als vee- en wildkering.

Houtwallen

Houtwallen die van oost naar west lopen hebben aan de noordzijde veel bosplanten varens en mossen, op de zuidkant veel bloeiende vegetatie, de ondergroei bestaat uit vroeg bloeiene planten zoals grote muur, salomonszegel en dalkruid. verschillende vogels insecten reptielen en kleine zoogdieren, en ze bieden dekking voor reeën en dassen.

Regelmatig onderhoud is een vereiste. De heggen worden in gedeelte eens in de 2 à 3 jaar gesnoeid, terwijl de knotwilgen om de 5 à 7 jaar onder handen worden genomen.

 

Houtsingels

Houtsingels zijn een rij struiken of bomen ( vooral zwarte els en es) langs een beek of sloot en staan in tegenstelling tot een houtwal niet op een aarde wal. Ook hebben zij de functie om de oeverwal te verstevigen. Deze zijn erg belangrijk voor de ecologische verbindingen, zij verfraaien het landschap, vele soorten zijn bes dragend en herbergen vogels in de winter

Door de uitvinding van prikkeldraad verloren ze hun functie.

Dijktalud

De taluds van de dijk leveren in het voorjaar en de zomer prachtige en kleurrijke beelden op. In het voorjaar zie je speenkruid, het groot en klein hoefblad, pinksterbloemen, boterbloemen. Na het afstorten van puingranulaat aan de zijkant van het asfalt ontstond er een bijzondere bermflora zoals: de papaver, klaproos, herik, wild ridderspoor (heel bijzonder), kale jonker, knikkende distel, akkerdistel, speerdistel en kaardenbol. Er komen vele vlindersop af o.a. distelvlinder, bont zandoogje en koolwitje. Ook vele vogels bezoeken deze plantenputter, de kneu, de groenling en de ringmus.

Dijken en wegbermen vormen een uiterst belangrijke groeiplaats voor in het wild levende planten. Zij kunnen een geweldige soortenrijkdom herbergen en een kleurenpracht, die een lust is voor het oog.

Ooievaarsnesten

De ooievaarsnesten staan: rechts achter de kerk, bij de afslag richting Nooteboom bij de poel, In de wei lang de paddestoel, halfweg het breitpad en een nest bij het karekietengat in de boom.

Op geen van de nesten heeft zich ooit een ooievaar genesteld, maar wie weet misschien nu de populatie ooievaars in de Rijnstrangen groter wordt?

 

Knotwilgen

Knotten houdt in feite niets anders in dan de betreffende boom van zijn kruin te ontdoen, waarna deze weer uitloopt. Een knotwilg is een wilg die enkele jaren na te zijn geplant op circa 2 m hoogte werd afgezaagd. Daarna wordt de boom geknot door de nieuw uitgelopen takken weg te nemen. De verdikking aan de basis van de uitlopers vormt de knot waaraan de knotwilg z'n naam dankt.

 

Om de vijf à zeven jaar worden de knotwilgen geknot en er worden dan wilgenscheuten geplant voor nieuwe knotwilgen. Zij zijn van belang voor de biodiversiteit. De steenuil en de ransuil, die steeds zeldzamer worden, broeden in deze holle bomen. Ook het winterkoninkje, de grauwe vliegenvanger, de merel en de lijster broeden erin. De holenduif, de wilde eend, de nijlgans en vele kleine insecten benutten de knotwilg als broedplaats. Diverse soorten vleermuizen maken gebruik van holle knotbomen. Dat geldt ook voor allerlei soorten muizen en marterachtigen als wezel, bunzing, steenmarter en hermelijn. De vroeg in het voorjaar bloeiende knotwilgen zijn een eldorado voor insecten die van stuifmeel en nectar leven.In de oude koppen ontwikkelt zich vaak mooie flora, middels zaden, die door vogels zijn aangedragen. Voorbeelden zijn: hondsroos, de vlier, de hennepnetel, de sleedoorn, de besanjelier, varens, mossen en korstmossen.

De kruin van knotbomen bevindt zich vaak op een voor het oogsten van hout op een onhandige hoogte boven het maaiveld, de reden is omdat het vee de jonge loten opeet.

Aanplantingen waar de wilg op maximaal 50 cm hoogte geknot is worden grienden genoemd. Grienden hebben vanwege het (vooral historische) gebruik van geoogste hout een grote cultuurhistorische waarde.

De productie van wilgentenen werd op de grienden die vaak buitendijks aan de grote rivieren waren gelegen op grote schaal uitgevoerd. Deze wilgentenen zijn de dunne takken van de katwilg. Tegenwoordig is de vraag ernaar sterk afgenomen. Om de karakteristieke door de mens gevormde wilgen voor het landschap te behouden dienen ze met regelmaat te worden geknot, dit gebeurt nu vaak door vrijwilligers.

Een knotwilg kan zo'n vijftig jaar oud worden en levert een aantrekkelijke bijdrage aan het landschap.

Niet alleen wilgen werden als knotboom ingezet. Men benutte onder meer ook de es, els de populier en de zomereik als knotboom.

 

Rietkragen

Riet in de Rijnstrangen

Het riet in de Rijnstrangen werd vroeger geoogst en gebruikt voor dakbedekking. Jonge twijgen van de wilg (griend) werden gesneden en gebruikt voor vlechtwerk zoals manden.

Voor de kleine boeren in de omgeving was het een goede bijverdienste, en voor de landeigenaar, de heer van Twickel een bron van inkomsten.

Het wilgengriend is voor het laatst geoogst in 1953, toen het werd gebruikt voor de zinkstukken waarmee de gaten in de dijken werden gedicht. Sinds die tijd wordt er niet meer geoogst en zijn riet en wilgen hun eigen gang gegaan.

 

Sloot

Awatergang (sloot).

Er loopt een sloot langs het karekietgat. Deze sloot is voor jaren terug gerenoveerd. De sloot vormt een prachtige ecologische verbinding van de Liemerse overlaat tot aan het Bergse hoofd. In deze sloot komt kwelwater naar boven uit de heuvels van Montferland. Dit is vooral te merken aan de bijzondere waterplanten. In mei bloeit er de kwelwaterminnende waterviolier en waterranonkel. Verder komen er nog egelskop, kalmoes, en tal van andere waterplanten voor.

 

 

Copyright © 2013 - Oud-Zevenaar - Wepdiezainer -

 

Niets van deze site mag zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteur worden gebruikt.

 

 

"Like" Oud-Zevenaar op

Facebook en/of volg ons op Twitter: