Buiten

Joep Nicolas

Buiten om de kerk

Begraafplaats

Bedevaart

Eeuwenlang heeft de kerk als bedevaartskerk gediend ter ere van de Moeder der Smarten.

De kerk bezit 2 Mariabeelden die vereerd worden: Maria met Kind en de Piëta.

Men ging op reis naar een heilige plek, begeleid door zegeningen en ceremonies, om bekenden en geloofsgenoten te ontmoeten in een sfeer van gezelligheid. Of ook wel om een gedane gelofte te volbrengen omdat men als straf tot een bedevaart naar een heilig oord was veroordeeld. Het beeldje was aanvankelijk alleen voor de boeren uit de omgeving van betekenis. Zij zochten voorspoed, vruchtbaarheid en bescherming tegen ziekten en dood, honger en watersnood in ruil voor kippen, graan en kaarsen of devotiegiften van bijenwas of zilver. Na de vijfde eeuw groeide de Mariaverering. Vanaf de veertiende eeuw was Oud Zevenaar een bekende bedevaartplaats waar Maria werd vereerd. De Piëta (Moeder van Smarten/ Onze Lieve Vrouw van Smarten) dateert volgens kunstkenners uit 1440 en kan dus onmogelijk de oorsprong zijn van de Mariaverering. Het beeld Maria met Kind dat in het altaar boven de Piëta staat is gemaakt rond 1340. Het is aannemelijk dat de eerste bedevaarten naar dit beeld werden ondernomen. Een stichtingsbrief van het Onze Lieve Vrouwengilde uit 1431 maakt melding van een donatie voor de bouw van een Mariakerk waaruit blijkt dat er dan al een speciale verering voor Maria bestond.

In de aantekeningen van pastoor Lengell sr. staat dat de Mariakerk gebouwd werd met de “offers” van de vele pelgrims die het beeld van Maria bezochten. Het beeld genoot speciale

verering vanwege de wonderbaarlijke krachten die er van uit zouden gaan.

Van heinde en ver trokken bedevaartgangers naar de middeleeuwse kerk aan de dijk om bij de moeder der Smarten verhoring te vinden van de menselijke noden. En niet te vergeefs, als we de archieven mogen geloven. De geschiedenis verhaalt dat pelgrims deze heilige plaats bezochten en met gulle hand offerden. Het bouwen en herbouwen van de kerk moet mede mogelijk gemaakt zijn door de bijdragen van een niet aflatende stroom van pelgrims. Anders is het niet te verklaren dat een relatief kleine kerkgemeenschap er in slaagde zo’n grote kerk te bouwen en in stand te houden en in 1376 zoveel gelden moesten afstaan (tienden). Emmerich 33 shellingen, Oud-Zevenaar 40 en Groessen 19.

Na de tachtigjarige oorlog nam de betekenis af. Van pastoor Mulder (1807-1861) weten wij dat hij de bedevaartprocessies in verband met de ingeslopen misbruiken afschafte, voor sommigen was de bedevaart aanleiding tot allerlei vermaak. In er 1842 de processies van Groessen en Loo en vanuit Elten gehouden. In 1844 niet meer omdat er ongeregeldheden hadden voorgedaan. In het begin van de twintigste eeuw herleefde de devotie maar verdween in de jaren zestig.

In 1905 herleving van de Mariadevotie te Oud Zevenaar.

Op 10 oktober 1916 kwam er zelfs een hele groep gelovigen uit Gendringen.

De laatste bedevaart werd op 3 oktober 1965 gehouden binnen de eigen parochie.

Vandaag de dag is de belangrijkste functie van de Maria verering de voorbede tot haar als middelares, men bidt tot haar om verlichting in persoonlijke en publieke moeilijkheden en om het verlenen van allerlei gunsten. Er gaat immers voor sommigen van ons, in deze van het goddelijke afgewende tijden, een troostrijk perspectief schuil door de verering van Maria.

Piëta

 

In de middeleeuwen was de piëta het symbool van lijden, speciaal het lijden van Maria. Het beeld verwijst naar algemeen menselijk lijden. De piëta of Nood Gods in de kerk van Oud-Zevenaar, stelt de moeder van Smarten voor. De piëta is van gips, een afgietsel van het gestolen origineel uit 1440. De piëta is op 9 juni 1975 gestolen.

Maria zit op een bank met het dode lichaam van Christus op haar schoot. Zij buigt het hoofd iets voorover. Een sluier bedekt haar hoofd en schouders, terwijl zij het uiteinde van haar sluier vasthoudt. Christus hoofd hangt achterover, zijn armen liggen gekruist over het lichaam. Het gewaad van Maria valt in een groot aantal evenwijdige plooien tot op de grond. Het lichaam van Christus ligt recht en strak uitgemergeld op de schoot van Maria, afgebeeld in ronde lijnen en weelderige plooival (rouwgewaad). Het contrast van dood en leven zo schril en harmonisch weergegeven.

 

De pietà is een devotiebeeld en is afgeleid van het piëta, Italiaans voor godsvrucht, barmhartigheid en medelijden. De ontstaans geschiedenis is niet duidelijk. De bewening van Christus is niet in de bijbel beschreven. Het zou hebben afgespeeld tussen de kruisafname en de graflegging. In de middeleeuwen is er een sterke behoefte om al het heilige te verbeelden. Het verbeelden van de dood kan gelden als voorbeeld van dat denken in concrete voorstellingen.

In 1390 is een piëta vervaardigd voor de Chartreuse in Dijon. Heel bekend is de marmeren piëta uit 1499/1500 van Michelangelo in de Sint Pieterskerk te Rome, de meest monumentale en harmonische uitbeelding.

Waar is het beeldje vervaardigd? Daarover bestaan verschillende meningen:

1)In het gebied langs de Rijn was albast een geliefd middel voor bewerking met beitel. De ateliers stonden in contact met de Italianen. De Riminimeesters.

2)De pieta wordt ingedeeld bij de groep albasten beeldjes door Swaezenski samengebracht rond het z.g. Meester van Rimini,

3)Anderen zijn van mening dat de herkomst gezocht moet worden in N. Frankrijk met mogelijk Rijssel als produktie centrum.

Over de manier waarop het beeld in de 15e eeuw in Oud Zevenaar terecht is gekomen doen twee verschillende verhalen de ronde:

A - Tijdens hoog water langs de dijk aangespoeld. Diverse keren teruggegooid maar dreef telkens op dezelfde plaats terug. (door kromme Dirk in het riet van de uiterwaarden gevonden.)

B - Johan van Loe een bekende ridder en drost van de Liemers, in dienst van Hertog van Kleef, deze begeleidde hem op zijn kruistocht naar het H. Land. Hij had het meegenomen, waarschijnlijk uit Bai? Rimini Italy. Of hij is getroffen door de uitbeelding van dit beeldje en daardoor gekocht in Bari.

De grote trekpleister was het kleine albasten piëta in 1440 gehouwen in de door de eeuwen grijs geworden albast en 30 cm hoog is. Voorstellende de bedroefde Maria die Christus na de kruis-afname op haar schoot legt. ( Moeder van Smarten), (De Nood Gods). Bij het origineel was de rechterarm hersteld.

A - Volgens een legende is het Maria heiligdom te danken aan het beeldje dat door “Kromme Dirc” in het riet in de uiterwaard werd gevonden. Een arme en mismaakte boerenjongen, Kromme Dirc, zwierf geregeld door de uiterwaarden langs de Rijn. Als kind wilde Dirc priester worden, maar zijn

mismaaktheid maakte hem ongeschikt voor het ambt. In zijn overspannen gemoedstoestand dacht hij er over een eind aan zijn leven te maken door zichzelf te verdrinken. Maar bewust van de zondigheid van zijn gedachten bad hij tot Maria.

In de uiterwaarden sjokkend zag hij plots tussen het riet een beeldje, klein en

onaanzienlijk, maar fijn besneden en fraai van vorm. Het stelde Maria voor met haar gestorven Zoon. Dirc ging zo vlug hij kon naar de koster, die hem op zijn beurt bij de pastoor bracht. Daar deed Dirc zijn verhaal.

Ondanks zijn bedenkingen ging de pastoor met Dirc mee, gevolgd door tal van dorpelingen die intussen het verhaal hadden gehoord.

Op de plek tussen het riet die Dirc had aangewezen vonden ze het beeldje, een Piëta. Men zag in de vondst een teken van de hemel en in processie werd het beeld naar de kerk van Oud-Zevenaar gebracht waar het een ereplaats kreeg.

 

B - De overlevering vertelt het verhaal van de Kleefse ambtsman Johan van de Loo. Deze Johan van de Loo maakte samen met de hertog van Kleef en andere edelen een pelgrimstocht naar het Heilige Land. In Jeruzalem wordt hij samen met de andere edelen tot ridder geslagen, een zeer gewaardeerde titel in de adellijke kringen. Op de terugtocht bezocht het gezelschap ook Rome en paus Nicolaas IV en men vierde er Kerstmis. Na een bezoek aan Napels, waar de koning van Italië werd bezocht, trok men huiswaarts. Na een pelgrimstocht die 51 weken duurde, keerde hij behouden terug en als dank schonk hij het beeldje voorstellende de Piëta aan de kerk van Oud-Zevenaar.

Hij hechtte veel waarde aan het beeldje zoals blijkt uit zijn testament uit 1467 waarin staat dat hij met zijn vrouw in de kerk van Oud-Zevenaar "vor dem belde Onser Liever Vrouwen ..." begraven wilde worden.

Dat de familie Van den Loe inderdaad in Oud-Zevenaar een begraafplaats heeft gehad, blijkt uit latere stukken waar van een Loëkapelle sprake is.

De Piëta's van Lorch, Rimini en Rome zijn als originelen te beschouwen; scheppingen die geringe verschillen vertonen in plooien, houding van de linkerarm van Maria en de neiging van haar hoofd. Dit piëtatype heeft ook in onze streken zijn verwanten, vermoedelijk van een meester in een Nederrijn of Westfaals atelier.

 

Tijdens de tachtig jarige oorlog was Pastoor Huetinck van Ou-Zevenaar in 1580 genoodzaakt om binnen de muren van Zevenaar (op het kasteel Zevenaar) een veilig heenkomen te zoeken met medeneming van enkele kostbaarheden waaronder het miraculeus beeld, waar men vanaf 1300 (?) naar toe te bedevaart kwam, werd in veiligheid gebracht.

Vervolgens in vergetelheid geraakt werd uiteindelijk teruggevonden en geplaatst in de kerk van Zevenaar. Het werd herkend en opgeëist en naar Oud Zevenaar terug gebracht. Daarna weer terug gezet in de Mariakerk. Een legende is dat het beeldje, dat eigenlijk niet in de kerk te Zevenaar thuishoorde, zou op een nacht op eigen gelegenheid naar de St. Martinuskerk van Oud Zevenaar terug zijn gegaan.Dit verhaal ging van mond tot mond en al gauw wisten de mensen uit de weide omgeving van het miraculeuze beeld af.

De wondervolle gunste en genaden die men kreeg, trokken van heinde en ver en nabij talrijke mensen naar O.Zevenaar. Die bezoekers brachten offers, die veel welvaart schonk, zodat men besloot om een nieuwe Mariakerk te bouwen.

Met zekerheid is vastgesteld dat Oud Zevenaar een plaats is geweest waar veel wonderen zijn geschied bij het beeldje van de Moeder van Smarten.

De schriftelijke bewijzen daarvan, die getuigden van de wondervolle gunsten door tussenkomst van de H. Maagd verkregen, zijn wellicht bij de plundering en brand van de St. Martinuskerk in de woelige jaren van de 80-jarige oorlog verloren gegaan.

Een andere versie is dat, de brief met zegel over de mirakelen bij de grote stadsbrand van Zevenaar in 1599 verloren zou zijn gegaan.

 

Helaas werd het beeldje op 9 juni 1975 gestolen.

Koster Th.van Megen, door bijna iedereen Theed genoemd, kwam die middag naar de pasto¬rie met de bood¬schap: "Pastoor, U zult Ma¬rietje wel meegenomen hebben."

De reactie van de pastoor was dan ook: "Toch niet." "Het staat ook niet in de kerk," antwoordde de koster. "Dan gaan we kijken." Samen zijn ze vanuit de pastorie naar de zij-ingang van de kerk ge-gaan. Daar vandaan kan men langs de pilaren heen op het Maria-altaar kijken. Een lege nis. Maria was inderdaad weg.

Op het Maria altaar was niets te zien van afdrukken van een hand, knie of voet, geen gekreukt altaarkleed. Geen spoor van inbraak te zien.

Toen na twee jaar het politieonderzoek niets heeft opgeleverd heeft een lid van het kerkbestuur op eigen initiatief een paragnost geraadpleegd.

Hij zag 4 sleutels en een jonge blonde man van ongeveer 35 jaar die een sleutel heeft laten namaken. De jonge man kan bij de aannemer in dienst zijn geweest en spreekt Duits.

De paragnost gaat richting Oud Dusseldorf en ziet een groot plein, bierbrouwerij en een gerestaureerd 18de eeuws huis. Ook hebben tv programma’s aandacht gevraagd voor de diefstal, echter zonder resultaat.

Joep Nicolas

 

Joep Nicolas was een Nederlandse glazenier, kunstschilder en tekenaar, geboren op 6 oktober 1897 in Roermond en overleden op 25 juli 1972 in Steyl.

Josephus Antonius Hubertus Franciscus (Joep) Nicolas wordt beschouwd als een vernieuwer in de glasschilderkunst in de 20e eeuw.

Het werk van Joep Nicolas is expressief, expressionistisch en kleurrijk. De christelijke symboliek speelt een grote rol. Hij beschouwde het lood niet alleen als functioneel, maar ook als onderdeel van de compositie; zo trok hij de loodlijnen soms dwars door personen heen. Sommige van zijn werken zijn abstract. In Amerika wordt zijn werk zakelijker en minder romantisch.

Nicolas bedacht ook enkele technische vernieuwingen in de glasschilderkunst, onder andere het vermurail (muurglasschildering), grisaille (glasschilderverf) en het gebruik van opaline (dun melkglas).

Biografie

Nicolas werd geboren in de Lindanusstraat in de bisschopsstad Roermond als zoon van glazenier Carolus Antonius Hubertus Nicolas en Henriette Marie Josephina Hortense Schieffer. Het vak leerde hij in het goedlopende atelier voor gebrandschilderd glas van zijn vader Charles Nicolas, dat in 1855 opgericht was door zijn opa Frans Nicolas. De 3 glas-in-lood ramen in het priesterkoor zijn

omstreeks 1900 gemaakt door atelier F. Nicolas (Frans Nicolas en zonen Charles en Francois) en stellen 3 levensfases van Sint Martinus voor: doop (links), bouwer van een klooster (midden) en bedelaar (rechts).

Samen met zijn twee broers en zuster kende Joep een onbezorgde jeugd, waarop het rooms-katholicisme een zwaar stempel drukte. Joep kreeg een degelijke, burgerlijke opvoeding, met Frans als omgangstaal en een gymnasiumopleiding aan het plaatselijke Bisschoppelijk College.

In de zomer van 1922 - toen Nicolas tijdens een militair verlof zijn ouders in Roermond bezocht - ontmoette hij op een tennisbaan de Belgische Suzanne Nys, een telg uit een textielhandelaarsfamilie, op wie hij verliefd werd. Bij toeval hoorde de opnieuw opgeroepen reserve-sergeant van Amsterdamse vrienden over het bestaan van de Vigeliusprijs. Nicolas waagde een kansje en toog in de kazerne hard aan het werk met een doek, getiteld: De droefenis om den dood van Christus. Tegen ieders verwachting in viel hij in 1923 met dit schilderij in de prijzen.

In 1924 trouwde hij met de Belgische beeldhouwster Suzanne Nys (Suzanna Melania Charlotta Maria Nys (1902-1984)) waarna het paar in Groet (Noord-Holland) ging wonen. Uit dit huwelijk werden in 1925 en 1928 de dochters Claire en Sylvia geboren.

 

Nicolas maakte vooral naam met zijn tientallen kerkramen, zoals die in de Sint Martinuskerk in Oud Zevenaar (1931), het 'Laatste Oordeel' in de Grote Kerk van Hulst (1934), een groot roosvenster voor de Belgische abdij van Orval (1936) en 'Opstanding' in de kerk van het West-Brabantse Wouw (1937). Daarnaast verfraaide Nicolas ook heel wat openbare gebouwen met kleurrijke vensters. De glazenier diende zelf gelovig te zijn en over voldoende bijbelse en iconografische kennis te beschikken. In Wij glazeniers (1938) hield Nicolas een warm pleidooi voor geïnspireerd werk en vakbeheersing. Hij introduceerde ook enige vernieuwingen: de vondst en toepassing van opaline (: dun melkglas, waarop hij in 1937 octrooi nam), het gebruik van grisaille (: glasschilderverf) en de techniek van het meerkleurige vermurail (: muurglasschildering). Na de Tweede Wereldoorlog wist hij de arbeidsintensieve vervaardiging van het glas-in-lood door nieuwe technieken te bekorten.

In 1939 vertrok Nicolas naar de Verenigde Staten, hij werd er Amerikaan en werkte voor het atelier van Harold Rambuseh. Het verblijf van Nicolas in de Verenigde Staten bleek geen onverdeeld succes. Vooral in het begin was het sappelen. Suzanne moest beeldhouwlessen geven, en er werd financieel bijgesprongen. Negentien jaar lang woonde Nicolas in de Verenigde Staten, een verblijf dat hij als 'een retraite in de woestijn' zou omschrijven. Toen allengs de druk om terug te keren naar zijn verwoeste vaderland groter werd, sloeg bij hem de twijfel toe. Nicolas zou nog tot en met juni 1958 pendelen tussen zijn huis in Islip op Long Island en Nederland, vooraleer hij en Suzanne zich in 1958 opnieuw vestigden in Limburg, en wel in Steyl in de buurt van Venlo. Nadat hij in 1953 de Amerikaanse nationaliteit had verworven, herkreeg hij bij wet van 30-3-1961 (Staatsblad nr. 104) de Nederlandse nationaliteit.

De wederopbouw in Nederland samen met zijn opdrachten in de Verenigde Staten bezorgde Nicolas opnieuw veel werk. In 1955 kreeg hij de opdracht om de ramen voor de Oude Kerk in Delft te maken, waaraan hij in 1958 begon. Deze ramen (het laatste werd geplaatst in 1972) zijn zijn bekendste werk. In 1956 maakte hij een eerste 'Bevrijdingsraam'. Nadat hij de Verenigde Staten verruild had voor Nederland kon hij zich vanaf 1958 aan zijn magnum opus te wijden. Op 13 juni 1964 kon hij de laatste van de 24 ramen officieel overdragen aan de kerkvoogd.

In 1963 bij de voltooiing van zijn Delftse ramen, werd de altijd onvermoeibare Nicolas getroffen door een lichte beroerte. Als stevige whiskydrinker moest hij de fles voortaan laten staan en diende hij het kalmer aan te doen. In 1964 schreef hij zijn dochter Claire: 'Mijn legende loopt af en ik weet niet eens hoe ik er een keurig slot voor moet verzinnen'.

Zijn laatste opdracht voor drie koorramen in de Utrechtse Sint Catharinakerk voerde Nicolas uit in 1966.

Eind juli 1972, ruim twee maanden na de onthulling van zijn laatste raam, stierf Nicolas thuis aan een hartaanval. Overeenkomstig zijn wens werd hij begraven aan de voet van de basiliek van Sint Odiliënberg.

Joep Nicolas was een temperamentvolle, innemende, soms overdonderende persoonlijkheid. Hij genoot intens van het leven, was een onderhoudend causeur, een gulle gastheer en 'un homme à femmes' met een 'chaotisch liefdesleven' (Nicolas White, In glas gebrand, 11). Nicolas was een formidabel netwerker met een groot gevoel voor publiciteit, die de pers vaak naar zijn hand wist te zetten. Hoewel niet gespeend van zakelijk talent, raakte hij door zijn overdadige levensstijl soms in grote geldzorgen.

Buiten, om de kerk

Ligging.

Oud-Zevenaar is een parel aan de ketting van Roomse steden en dorpen langs de oude Rijn. Aan de hand van gevonden scherven is vastgesteld dat er omstreeks de achtste eeuw ook in de buurt van de huidige kerk bewoning is ontstaan. Zelfs is het waarschijnlijk dat daar het centrum van bewoning was. Oorspronkelijk moet de kerk midden in het dorp hebben gestaan. Het opdringende water zorgde ervoor dat zij uiteindelijk nog net binnendijks kwam te liggen. De omgeving bestond uit een moerassige veen bossen en broeklanden waar nauwelijks iets eetbaars wilde groeien. De eerste bewoners bouwden hun met leem gedicht en met stro afgedekte hutkommen. Zij visten, jaagden op wild en deden al aan landbouw. De St. Martinuskerk staat op een bijzondere plek. De kerk heeft mogelijk lager gestaan, maar door ophogingen om de kerk, en dus ook noodzakelijk in de kerk, is de vloer verhoogd. De nissen in het priesterkoor en de diepliggende fundamenten van de vroegere bijgebouwen en de brede banden om de pilaren zijn daar aanwijzingen voor.

De kerk ligt in een bocht van de dijk op een deels afgegraven terp en ligt veel hoger dan het omliggende land. De kerk heeft een grotendeels ingebouwde toren van 3 geledingen met boven de dubbele toegangsdeur een hoog spitsboograam. Op de 2e verdieping hangen 3 luidklokken. De toren wordt gedekt door een achtkantige ingesnoerde spits.

De onderste 2 geledingen zijn deels opgebouwd uit tufsteen dat afkomstig is uit de Romaanse kerk dat tot de 14e eeuw hier heeft gestaan.

Tufsteen

Bij de laatste restauratie kwam men bij het uitbreken van het buitenmuurwerk kloostermoppen tegen.

Een kloostermop is een middeleeuwse baksteen van 27,28 cm lang, ca 14 cm breed en circa 6,5 cm hoog. De maten zijn globaal omdat het handvorm stenen zijn. Dus een stuk zwaarder en minder hanteerbaar dan onze huidige waaltjes. Deze stenen werden gemaakt door monniken, ze hebben diverse afmetingen doordat ze uit verschillende streken kwamen. Vervangend materiaal is tufsteen (verhit vulkanisch as), deze treft men aan in de toren. Tufsteen is in ons land niet te vinden, deze tufsteen komt uit de Eifel. Het is een lichte steen (dus ook goed te vervoeren) die erg poreus is, in de steen treft men bimskorrel aan, deze korrel verdwijnt na verloop van tijd. Zodat er veel gaatjes in de steen zitten.

In 2007 is de toren nog gerestaureerd, ze hebben een laagje van de tufsteen afgehakt en de voegen opnieuw aangebracht (terughakken).

Toren

Op St Vitusdag 15 juni in het jaar 1582 werden door de ruwe krijgers van de graven van Bergh de rijzige spits van de toren in brand gestoken. Onder het woeden van het vuur stortte de toren tussen de daken van de Martinus- en Mariakerk. In 1585 werd de gehavende toren hersteld, niet in de fiere gestalte van vroeger, maar in den droeven dwergvorm, die ontstaat uit kommer en kwel. De toren is voorzien van een korte achtkantige spits. Oftewel een zware nederrijnse toren.

 

De overhoekse steunberen (contreforten) bewijzen dat de toren in het eind van de 15de eeuw is gebouwd.

Weerhaan en bol

De windhaan of weerhaan is een windwijzer in de vorm van een haan. Sommige torenhanen zitten op een windkruis en/of op een metalen bol. Ze worden vooral geplaatst op de spits van kerktorens. Ze geven de richting van de wind aan. Deze dienden als afweermiddel, in de middeleeuwen dacht men dat zijn gekraai boze geesten kon verdrijven. Ook zou het zorgen voor warmte en vruchtbaarheid. De haan staat voor aanzien als toonbeeld van zorg en waakzaamheid. Als verkondiger van de nieuwe dag, kraait hij reeds bij zonsopgang en houdt de hele dag orde. Hij kraait bij vreemd bezoek en alle gevaar, hij beschermt allen die onder zijn hoede leven. Hij staat ook symbool als van de overwinning van het licht op de duisternis, ook als symbool voor Christus.

De haan werd een attribuut van de apostel Petrus en verwijst naar diens verloochening van Jezus en zijn berouw daarover (Markus 14:72). Onder de haan zit een koperen bol. Deze werd vroeger veel aangebracht om daar, in twee loden kokers , de bouwtekeningen van de kerk te bewaren. In geval van brand zal de toren omvallen en dan rolt de ronde bol uit het vuur en blijven de tekeningen behouden.

De glansbal is verwant aan de kerstbal.

 

Rijkmonument.

 

De Martinuskerk is een rijksmonument dat wil zeggen een onroerend goed dat om haar cultuurhistorische waarde door de rijksoverheid is aangewezen om te worden beschermd en behouden te blijven.

Kerkdeur hoofdingang

 

De dubbele kerkdeur is gemaakt van inlands eikenhout en het hang en sluitwerk is authentiek.

 

 

 

 

Merksteen

In de toren is een steen gemetseld waarop de hoogste waterstand in de 19e eeuw (15,525 mtr

boven NAP) staat aangegeven. Deze steen herinnert ons aan de watersnoodramp van januari 1809 toen op verschillende plaatsen de dijk doorbrak. De streep in de steen geeft de waterhoogte van die dagen aan. Anderen beweren dat dit alleen maar de hoogte aangeeft van 15.525 boven N.A.P.

 

Andreaskruis

In de buitenmuur aan de noordzijde is een Andreaskruis ingemetseld, iets wat in

deze streek in andere middeleeuwse gebouwen soms ook te zien bijvoorbeeld in

Huis Sevenaer.

 

Runentekens zijn afkomstig van de Etrusken en zouden ontstaan zijn rond 250 à150 v. Chr. Aangezien ze ergens werden in gekrast of gesneden, of met stokjes werden gevormd zijn al de tekens een combinatie van rechte lijntjes. Ze werden gebruikt als alfabet maar ook als ornament of magische boodschap. Een teken had dan ook veel meerbetekenis dan enkel maar een letter. In de loop der tijden wordt het teken letterlijk 'vermenigvuldiging'(vruchtbaarheid). "Bede tot een goede opbrengst"? Het christelijke St-Andrieskruisheeft een vergelijkbare betekenis.

 

 

Grafsteen

 

Naast de zij-ingang van de kerk is in de steunbeer de grafsteen ingemetseld van de Zevenaarse pastoor Pelgrom, fondeur van de Pelgromstichting.

 

Doopkapel

Aan de westkant naast de toren stond tot 1969 een neogotische doopkapel uit 1920. Deze werd afgebroken omdat het afbreuk deed aan de originele bouwstijl van de kerk. De contouren hiervan zijn nog goed zichtbaar.

Vroeger werden de doopkapellen buiten de kerk gebouwd omdat de kinderen niet de kerk in mochten daar ze nog niet gedoopt waren.

In de gehele buitenmuur zijn op meerdere plekken metselwerkafwijkingen terug te vinden; sporen van de vele verbouwingen en herstel door de eeuwen heen.

 

 

 

 

 

’t Olde Processiepad

 

De huidige dijkuitstulping is in 1854 verhoogd en enigszins aangepast. In november 1997 is het verharde voetpad op de dijk officieel met de naam ’t Olde Processiepad in gebruik genomen. Halverwege het processiepad is een tableau geplaatst met daarop de zichtpunten in de omgeving waaronder ook de plek van de zogenaamde Mauritsgaten, restanten van verdedigingswerken uit de Tachtigjarige Oorlog.

 

 

Grafkelder

Aan de zuidkant van de kerk bevindt zich de grafkelder van de familie de Nerée tot

Babberich. Op de kelder is een hardstenen zuil geplaatst waarop een ijzeren kruis en

aan de voorzijde voorzien van wit marmeren wapenschilden (meerminman met sabel) van de Nerée en Tellegen. Het monument is omgeven door een giet – en smeedijzeren hekwerk.

Toen de familie De Nerée de havezathe Camphuisen met al zijn rechten kocht, behoorde daaronder ook een gestoelte en grafkelder in de kerk en op het kerkhof. De grafkelder was wellicht een overblijfsel van de oude grafkelder van het geslcht Van heerde tot Camphuijsen. De tombe werd omstreeks 1846 verbouwd en vernieuwd. De grafkelder in de kerk mocht niet meer voor bijzetting gebruikt worden.

 

Achter dit grafmonument staat een treur es die kort na de ingebruikname van de kelder is geplant. De monumentale boom is de oudste treur es van Nederland

 

Historische zerken

Naast de grafkelder liggen op een betonnen ondergrond een aantal historische

zerken in 2005 verzameld en geplaatst door de werkgroep M’Ooy Oud-Zevenaar.

Een bijzonder grafteken valt direct op. Het grafteken in gietijzer van Albert W. Brands, bestaande uit aan de bovenzijde rijk met floriale motieven gedetailleerd latijns kruis waarop aan de onderzijde twee afzonderlijke objecten gemonteerd zijn. Op de kruising van de armen van het kruis bevinden zich de gietijzeren Letters “INRI”. Aan de onderzijde van het kruis bevindt zich een van een omlijsting voorzien in halfrelief uitgevoerde Maria- figuur, die vermoedelijk Onze Lieve Vrouw ter Nood Gods voorstelt.

 

BEGRAAFPLAATS

Het kerkhof rond de kerk van Oud-Zevenaar was vroeger een grasvlakte, waar bijna geen graf te vinden was. Immers die daar begraven werd, was arm en kon zich geen stenen monument permitteren. Een eenvoudig houten kruisje of een plank met alleen de naam gaf aan waar de dierbare dode ter aarde was besteld. Veelal kreeg de overledene dat nog niet. Door het spoedig vergaan van het hout ontstond er na korte tijd weer een lege grasvlakte.

Van oudsher werd men begraven in de kerk. Dit gebeurde al in de elfde eeuw tot halverwege de negentiende eeuw. De rangorde was; de adel bij het koor, de boeren in het midden, al diegene die hun werkzaamheden bij de kerk hadden lagen onder het orgel, de arbeiders lagen buiten op het kerkhof.

In 1682 kreeg schoolmeester en koster “Swarte Jan” opdracht van het stadsbestuur van Zevenaar om publiekelijk om te roepen “dat de jongens van de kerckhoff sollen blieven”. De schoolkinderen hadden namelijk geen andere speelplaats ter beschikking dan het kerkhof. De kinderen vernielden de graven en deden balspelen met rondslingerende schedels.

Op 22 aug. 1906 was het kerkbestuur voornemens het bouwen van een lijkenhuisje, waar voorheen de boerderij van de fam. Heijneman stond.

De begraafplaats is omheind door een beukhaag. De begraafplaats is aangelegd omstreeks 1917. Tot die tijd en zelfs nog na de tweede wereldoorlog werden overledenen in Oud Zevenaar bij de kerk begraven. Alle aanwezige graven dateren van na 1940. Bijzondere elementen vormen het baarhuisje en het bakstenen toegangshek. Beide zijn late uitingen van de neogotiek. In het baarhuisje komt dit tot uitdrukking in de toepassing van spitsboogvensters.

Toegangspoort.

De neogotieke toegangspoort met smeedijzeren hek vormt de ingang tot de begraafplaats en is een

gemeentelijk monument evenals het baarhuisje aan de andere zijde van het pad.

Het hek bestaande uit in baksteen opgetrokken hekpijlers waartussen een dubbelsmeedijzer draaihek. De hoekpijlers zijn voorzien van een door afgeschuinde profielstenen afgesloten basement op een vierkante plattegrond waarbij de hoeken inspringen. De hierboven bevindende gemetselde vierkante kolom is eveneens voorzien van inspringende hoeken, de afsluitende strekkenlaag heeft de vorm van een vierkant. Hierop is een fraaie zandstenen opzetstuk geplaatst met aan alle vier zijden een door een rondstaaf profiel afgesloten puntgeveltje met een driepas motief.

De hekken zijn rijk gedecodeerd met gotische florale motieven en vierpas motieven.

Het linker hek wordt bekroond door een kruis.

Baarhuisje.

 

Het baarhuisje heeft een zadeldak. De voorgevel is voorzien van een middenrisaliet met een tuitgevel. De voorgevel is symmetrisch en heeft in de risaliet een door een spitsboog afgesloten nis die een kapelletje vormt. Tegen de achterwand is een kruisbeeld met Christus bevestigd en beelden van Jozef en Maria. De oorspronkelijk grotere beelden (Maria en Johannes) staan nu op het hoofdaltaar van de Sint Martinuskerk.

De muuropening is voorzien van een ijzeren hek

Het dak is belegd met rode verbeterde Hollandse pannen.

De gevels zijn opgetrokken in baksteen, gemetseld in kruisverband. De zijgevels worden afgesloten door een tuitgevel met schouderstukken en een ezelsrug.

 

De rechter zijgevel heeft op de begane grond twee spitboogvensters waarvan de boogvelden ingevuld zijn met metselwerk. In de geveltoppen bevinden zich drie door spaarnissen waarvan de middelste het hoogste en breedste is uitgevoerd. De nissen worden ieder recht afgesloten door een motief dat gebaseerd is op een driepas. De nissen zijn aan de onderzijde verbonden door een bloktandlijst. De Linkerzijde heeft op de begane grond een spitsboog afgesloten toegang. Het boogveld is ingevuld met metselwerk waarin een kruismotief is opgenomen. De toegang wordt afgesloten met een segment boogje. De deur is voorzien van twee neogotische smeedijzeren hengsels.

Op zondag 30 oktober 1994 werd door Pastoor van Doorn de urnenmuur ingezegend.

Het kerkhof heeft nog een rustiek en dorps karakter.

De begraafplaats is elke dag te bezoeken tussen zonsopgang en zonsondergang.

De begraafplaats heeft mogelijkheden om urnen te laten plaatsen in de urnenmuur of in een urnengraf.

Nabij het baarhuisje ligt een strooiveld voor asverstrooiing.

De begraafplaats wordt onderhouden door de onderhoudsgroep van de geloofsgemeenschap.

Elke woensdagmiddag zijn een 12-tal vrijwilligers werkzaam in en om de kerk, het geloofsgemeenschapcentrum en de begraafplaats.

De haag en het grasveld wordt door het plaatselijke hoveniersbedrijf onderhouden.

Voor gegevens omtrent de personen die begraven zijn op het kerkhof te Oud-Zevenaar zijn te vinden op:

www.graftombe.nl/category/1992/oud_zevenaar‎

 

 

Teksten uit het dodenboek

 

In Oud-Zevenaar werden de overledenen in de 17e en 18e eeuw begraven:

1: ofwel in de kerk;

2: ofwel in het verwoeste gedeelte van het kerkgebouw;

3: ofwel buiten op het kerkplein.

 

Klopjens.

Klopjens of devota zijn namen die in de 17e en 18e eeuw herhaaldelijk inde boeken voorkomen. Met deze namen werd een vrome dame aangeduid, die zich geheel aan de dienst van de kerk en godsdienst wijdde. Zij werden klopjens genoemd omdat zij in tijd van vervolging de priesters en gelovigen bij gevaar waarschuwden en gelovigen voor de dienst opriepen.

 

Straf voor de zonde.

17 januari 1698. Begraven in het verwoeste gedeelte van de kerk Petrus, knecht van de aanzienlijke familie Van Hunnepel. Deze Petrus werd Zondagsmorgens aangemaand om naar de kerk te gaan. Hij was echter met Lutherse dwaalbegrippen behept en hij antwoordde: “Ik wil Maria niet gaan aanbidden, omdat zij ons toch niet kan helpen en zelf ook maar een zondares is”. Toen hij aan tafel wilde gaan zitten, nam een klein meisje, waarmee hij gespeeld had, een geweer in de handen en schoot per ongeluk een kogel door het hoofd van de knecht, zodat deze niets meer kon zeggen en ’s avonds is gestorven. Ik geloof ( zo tekent de pastoor aan), dat hij de straf heeft moeten ondergaan voor de lasteringen, welke hij met zijn tong tegen de H.Maagd heeft bedreven.

 

Dijkdoorbraak.

13 januari 1809. Bij de ongehoorde waterstroming van dit jaar is de dijk tegen het huis van Jan van Uum, Hoenderkamp te Ooy , gebroken, Jan van Uum oud 48 jaren ,dreef op een vak van zijn huis weg en wilde zich op een hoge wilgenboom bij de Buitenmolen redden. Door de ijsscotsen werd de boom vernield en is Jan van Uum in het water terecht gekomen en verdronken.

 

Dijkverschuiving.

28 september 1810. Bij het afgraven van de dijk bij Camphuysen, op koninklijk bevel, is onder de vallende massa aarde terecht gekomen Everardus Gertsen uit Didam en dezelfde dag gestorven.

21 februari 1814 Joannes Peters, oud 16 jaar wilde met zij stiefvader Jan bruintjes van ’t griet brandstof halen over het ijs, viel bij de tien-morgen boven de Noteboom er door, en verdronk

 

Metselaar.

Op 29 oktober 1825 behaagde de Goddelijke Voorzienigheid tot Zich te roepen ’n zekere Michael Kummeling, die in Zevenaar op het dak van de protestantse kerk reparaties verrichtte. Hij viel per ongeluk naar beneden en werd zwaar gekneusd, zodat hij spoedig overleed. Hij was een man, door iedereen geacht, zijn verscheiden werd door iedereen betreurd.

 

Paard.

Op 29 juli 1829 ging naar een beter leven over Johannes Petrus Heijnen is vandaag op jammerlijke wijze van zijn paard gevallen in de nabijheid van zijn weiland “de Bem” en heeft zijn hals gebroken.

’s Avonds om 8 uur op 22 dec is hij begraven, hij was 58 jaar oud.

Heeft haar ziel aan de schepper teruggeschonken.

Ging van het eeuwig leven genieten.

 

Vicarieën.

In de parochie waren sinds oude tijden 2 vicarieën door weldoeners gesticht

1. De Lucia en Georgius Vicarie;

2. de Sint Anna Vicarie

 

 

Copyright © 2013 - Oud-Zevenaar - Wepdiezainer -

 

Niets van deze site mag zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteur worden gebruikt.

 

 

"Like" Oud-Zevenaar op

Facebook en/of volg ons op Twitter: