Akkerkool

AKKERKOOL

LAPSANA COMMUNIS


Akkerkool


Naamgeving

  • Lapsana komt van het Griekse Ia(m)psanè, een bij de Oude Grieken bekende moesplant, die zacht purgerend werkte. Het woord staat in verband met lapadzoo (purgeren).
  • Wellicht betekent het ‘geneesmiddel tegen zweren’.
  • Lapsane (de geslachtsnaam) betekent “eetbaar kruid” .

Communis betekent gewoon of algemeen voorkomend. De naam Akker geeft de voorkeur aan waar deze plant bloeit, maar je vindt hem vrijwel overal. Het woord Kool slaat natuurlijk op het feit dat de plant word/werd gebruikt door het eten.

 

Plantkenmerken

Akkerkool is trouwens geen familie van de Kool want dat is een kruisbloemige. Onder de composieten met alleen citroengele lintbloemen herken je de Akkerkool aan het beperkte aantal lintbloemen in zo'n en aan het feit dat er geen pappus te vinden is. De bladeren onderaan de plant zijn liervormig, dat wil zeggen ze hebben een grote eind lob en een paar kleine slippen. Samen is dat een veerdelig ingesneden blad. Naar boven toe is de bladvorm ongedeeld meer lancetvormig met een getande rand en bovenaan zijn ze lancetvormig tot lijnvormig. Het zaad kiemt in de lente en op de penwortel ontstaat een rechtopstaande stengel. Bladeren en stengel zijn, vooral in het onderste deel van de plant, borstelig behaard. Naar boven toe neemt de beharing af. De hoofdjes van ongeveer 1 cm breed staan op tamelijk lange stelen, waardoor ze samen een pluimvormige bloeiwijze geven, die tamelijk open is. In ieder hoofdje is een klein aantal (12 tot 15) lintbloemen te vinden. Gemiddeld zitten er zo'n 13 in een hoofdje. De bloembodem van het hoofdje is vlak en er zijn tussen de bloemen geen stroschubben op de bloembodem te vinden. Zowel tijdens als na de bloei, als zich de rijpe nootjes vormen, zie je dat er geen pappus aanwezig is. Dit onderscheidt de Akkerkool van veel andere op deze soort lijkende composietenplanten. Wel valt na de bloei het wat eigenaardig gevormd omwindsel op. Het heeft een beetje de vorm van een ton of vaas: in het midden breder dan bij de bloembodem en boven aan het omwindsel. De planten bevatten melksap. Dat is goed te zien als je de stengel doorsnijdt. De soort kan gemakkelijk verward worden met de Muursla, maar deze soort heeft maar heel weinig bloemen in een hoofdje, namelijk vijf. De bloempjes zijn ook meestal gesloten; ’s ochtends vroeg openen ze zich soms. Dit gebeurt enkel en alleen met zonnig weer en ze sluiten zich altijd bij het aanbreken van de middag. Met slecht weer openen de bloempjes zich niet.

 

Bloem

De kleine, één tot hooguit twee cm grote en lang gesteelde bloemhoofdjes staan in losse, min of meer tuilvormige bloeiwijzen (losse pluimen met acht tot vijftien bloemen). Ze bevatten een klein aantal citroengele lintbloemen (vijf tot vijftien). Elke bloem heeft vijf met elkaar vergroeide meeldraden, een onderstandig vruchtbeginsel en één stijl met twee stempels. De bloemhoofdjesbodem is vlak, zonder stroschubben. De opgerichte, stompe omwindselbladen zijn lijnvormig tot lancetvormig en staan in twee rijen, de binnenste veel langer dan de buitenste.

 

Steel

Een rechtopstaande, bebladerde, vertakte, vrij licht groene en meestal verspreid borstelharige, maar naar boven toe kale stengel. De stengel bevat melksap.

 

Blad

Een rechtopstaande, bebladerde, vertakte, vrij licht groene en meestal verspreid borstelharige, maar naar boven toe kale stengel. De stengel bevat melksap. De onderste bladeren zijn liervormig gedeeld tot geveerd, in omtrek langwerpig en aan de voet in een steel versmald. Ze hebben een grote, eironde eind lob met een gelijkmatig gekromde, bochtig getande tot gegolfde rand. De veel kleinere zijslipjes zijn vaak afgewisseld langer en korter (afgebroken geveerd). De hogere, verspreid staande stengelbladeren zijn ongedeeld en driehoekig- tot lancetvormig-eirond, getand en naar de voet versmald. De bladen zijn gesteeld of steelvormig versmald, maar de bovenste zijn soms zittend. De bladrand is getand.

 

Vrucht

Een eenzadige dopvrucht of nootje. De meestal acht bootvormige, gekielde binnenste omwindselbladen van de vrucht blijven rechtop staan. De strokleurige, sterk  nootjes, zijn aan de top afgerond en zonder pappus. De zaden zijn langlevend (langer dan vijf jaar

 

Wortel

Een penwortel.

 

Gebruik

Akkerkool wordt nog steeds als voer voor konijntjes en cavia´s geplukt.

Sommige insecten zoals de steenhommel en bepaalde solitaire bijen genieten van het stuifmeel en van de nectar.

 

Geneeskunde

De bladeren van akkerkool hebben een licht laxerende werking en stimuleren de spijsvertering.

Akkerkool werd vroeger regelmatig medisch gebruikt. Thee van het blad en soms ook de gedroogde bloemen bij leverproblemen en suikerziekte. Het werd ook voor de licht werkende vocht afdrijvende eigenschappen gebruikt. Van verse blad en stengel werd door kneuzing een brij gemaakt dat voor de genezing van wonden. 

Akkerkool werd ook gebruikt tegen ontstekingen.

Het kruid werd ook gebruikt om melkklieren tot rust te brengen, vooral bij het stoppen van borstvoeding.

De plant werd vroeger ook bij de bereiding van maagbitters gebruikt. Het kruid heeft een kalmerende en antiseptische werking.

 

Eetbaar

De bladeren van akkerkool kunnen verwerkt worden in salades, kort worden gewokt of worden gekookt als spinazie. Ze smaken pittig, nootachtige en als radijs.

De jonge blaadjes kunnen het best geplukt worden voordat de plant gaat bloeien. Kleine stukjes rauw blad of bloemknoppen geven een eigen “bittere” smaak aan een salade.

 

Volksgeloof

Zo was het gebruik vroeger. (Dodonaeus) ‘Galenus zegt dat Lampsana in spijs gebruikt kwaad en grof bloed in het lichaam laat groeien, dan Dioscorides schrijft dat ze meer voedsel geeft en de maag nuttiger is dan zuring en daarom, zegt hij, plag men de bladeren en de stelen van dit gewas te koken en voor spijs te gebruiken. De tegenwoordige Lampsana is niet zo geschikt om bij het moes te doen als hederik. Maar het wit sap dat uit de stelen en bladeren vloeit als ze gekwetst zijn is goed om de verzworen of bezeerde borsten en tepels te genezen en daarvan heeft dit gewas de naam tepelkruid gekregen.

 

Bijzonderheid

Als bijzonderheid valt te vermelden dat Akkerkool al als akkeronkruid bekend was bij de eerste akkerbouwers van de Bandkeramiek cultuur (ongeveer 4400 voor Christus) op de lössgronden in Limburg; ook in de daaropvolgende Steentijd zijn archeologische vondsten gedaan die erop duiden dat Akkerkool in de lössgebieden voorkwam.

 

 

Op facebook hebben we een pagina waarop wij oude foto's van Ooij, Old-Sènder en Holthuuze plaatsen. Je kunt reageren op de foto's en je kunt aangeven dat je iets leuk vindt. Hieronder een overzicht wat er zoal op facebook geplaatst is. (scroll er maar doorheen)

Heb je mooie foto's en wil je die met ons delen, stuur ze dan per mail naar andre@oud-zevenaar.nl



Copyright © 2013  -  Oud-Zevenaar  -  Wepdiezainer  -


Niets van deze site mag zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteur worden gebruikt.



"Like" Oud-Zevenaar op

Facebook en/of volg ons op Twitter: