Sint Martinuskerk

SINT MARTINUSKERK


Wilt u meer lezen over de St. Martinuskerk in Oud-Zevenaar? Over de Geschiedenis, het gebouw, de prachtige ramen van Joep Nicolas of de begraafplaats? Klik dan hieronder één van de onderwerpen aan.

Geschiedenis


Het kerkgebouw

Buiten om de kerk

Binnen in de kerk

Begraafplaats



Martinus

St. Maartens optocht


Joep Nicolas


Bedevaart

Piëta


Mariaviering


Processie

De 15 geheimen


Teksten uit dodenboek


Gedicht

GESCHIEDENIS


In het begin van de achtste eeuw bestond er een klooster ten zuiden van de Rijn in Rinderen bij Kleef. Dit klooster was aan Martinus gewijd en bezat in de weide omgeving bezittingen, boerderijen en landerijen. In 750 werd het klooster opgeheven en het grondbezit kwam in een Grundherrschaft, die aan het klooster van Echternach in Luxemburg overging. In de bewaard gebleven cijnslijsten komt de aanduiding Sivenar voor. Hieruit kan men concluderen dat omstreeks 720 - 730 een landgoed op het grondgebied van het huidige Oud-Zevenaar aan het Rinderense klooster behoorde.  Met dit gegevens voor ogen mag men aannemen dat er een  kerkje heeft gestaan. Een onaanzienlijk gebouwtje van hout, riet en leem.

In een register van kerkelijke tienden van 1276-1281 komt een Gerlach (parochieherder) de Sevenaer voor, hetgeen erop schijnt te wijzen dat de parochie Zevenaar in die tijd al bestond. Rond 1350 werd de kerk vervangen door grotere gotische ruimten, dit houdt verband met de grote bevolkingsgroei en welvaart. In de kerk vinden we geen Romaanse elementen meer, wel werd er tufsteen gebruikt, dit verraadt dat er een kerk uit de Romaanse periode moet zijn geweest. Tufsteen kwam als bouwmateriaal uit het Rijnland. Sedert de 13de eeuw gebruikte men uit de omgeving gefabriceerde bakstenen. Uit een bewaard gebleven akte blijkt dat de kerk van Oud-Zevenaar onder het patronaat van Kleef (Kleve) staat. Hieruit kan worden afgeleid dat Kleef reeds in deze tijd rechtsmacht in Oud -Zevenaar bezit.

Omstreeks 1345 wordt de (huidige) kerk in Oud-Zevenaar gebouwd. Vermoedelijk is na het gereed komen van de kerk een deel van Oud-Zevenaar bij een overstroming verzwolgen door het Rijnwater waarbij men de kerk juist heeft kunnen behouden. Dit kan een verklaring zijn voor het feit dat de kerk in onze tijd feitelijk buiten gedijkt is. In 1431 wordt aan de zuidzijde van de Oud-Zevenaarse Martinuskerk wordt een Mariakerk gebouwd. De stichtingsbrief dateert van 2 februari 1431. Gedurende vele eeuwen heeft deze kerk als belangrijk bedevaartsoord gediend met een enorme Mariaverering en een niet aflatende stroom pelgrims. De grote trekpleister hierbij is de madonna met kind geweest.

Ridder Johan van de Loo (Loe), ambtman van de Liemers, keurt de financiering in 1454 goed voor de herbouw van de afgebrande toren van de Oud-Zevenaarse Martinuskerk. Het geld voor de bouw wordt door de lokale adel bijeengebracht. In 1467 doet Ridder Johan van de Loo een schenking om jaarlijks rogge uit de Byvanck te Beek uit te delen aan de Oud-Zevenaarse armen. Ridder Johan van den Loo (Loe) sterft  in 1476 en wordt overeenkomstig zijn wens in de kerk van Oud-Zevenaar begraven. In 1521 wordt Zevenaar een eigen parochie binnen de stadsmuren en de St. Martinuskerk is de parochiekerk voor Holthuizen, Grieth, Zweekhorst, Ooy, Babberich en Oud-Zevenaar.


In 1852 komen Grieth en Zweekhorst bij de parochie Zevenaar en Babberich wordt pas in 1971 een zelfstandige parochie. Dit betekende dat mensen uit het Grieth en de Zweekhorst ruim driehonderd jaar moesten kerken in Oud – Zevenaar en gingen dan via een kerkenpaadje met een bruggetje  over de sloot (AA) nabij de huidige Schoolstraat te Zevenaar via Poelwijk richting kerk.

De Kerkstraat in Zevenaar is in die tijd vernoemd omdat mensen die net buiten de stadsmuren woonden dan naar Oud Zevenaar naar de kerk gingen.

In 1553 wordt Hendrik Huitinck pastoor in Oud-Zevenaar. Tijdens zijn pastoraat vindt een deel van de verschrikkingen van de Tachtigjarige Oorlog plaats. In 1572  wordt de gotische spits van de Oud-Zevenaarse kerk op St. Vitusdag (15 juni) door troepen in brand geschoten. De spits verwoest in haar val de kerk.

Uit een in 1573 in opdracht van de Spaanse koning door Christiaen 's Grooten getekende kaart van de Liemers blijkt dat de Oud-Zevenaarse kerk op een terp is gebouwd. Op de achtergrond zien we het stadje Zevenaar getekend. In 1580 gaat Oud-Zevenaar gebukt onder het oorlogsgeweld van de Tachtigjarige Oorlog en pastoor Henric Huetinck zoekt een veilig heenkomen in Zevenaar met medeneming van kerkelijke kostbaarheden.

In 1585 wordt de Oud-Zevenaarse kerk door oorlogshandelingen in een ruïne veranderd. Het zal tot 1866 duren alvorens de kerk weer de oorspronkelijke vorm van 1350 terug heeft en het herstel volledig is afgerond.

In september 1598 liggen Hollandse soldaten onder leiding van Maurits in stelling rond de Oud-Zevenaarse kerk en op de Gelderse Waard, waarbij Hollanders en Spanjaarden elkaar met grof geschut beschieten. Onder meer de Oud-Zevenaarse pastorie wordt door brand verwoest en pastoor Theodorus Lengel Sr. vlucht naar Zevenaar-stad. 

In 1599 wordt Zevenaar door brand getroffen. Bij deze brand gaat het parochiearchief van Oud-Zevenaar, dat binnen de stad in veiligheid was gebracht, verloren.

In 1616 zijn de herstelwerkzaamheden aan de Oud-Zevenaarse kerk na de verwoesting door oorlogshandelingen in volle gang. De kap met een houten dak is op het middenschip geplaatst en met leien bedekt. Het zal echter nog 250 jaar duren alvorens de kerk weer de oorspronkelijke vorm zal terughebben. 

Op 22 maart 1670 sterft de Oud-Zevenaarse pastoor Theodorus van Lengell. Hij zorgde ervoor dat het Mariabeeldje weer terug komt in Oud-Zevenaar. Deze pastoor zorgt ook voor de verdere aankleding

van de kerk met: een Antwerps hoogaltaar, het huidige St. Jozef altaar, klokken, en het beeld St. Anna-te-drieën dat nu in het Catharijnenconvent in Utrecht staat. Na zijn dood wordt uit zijn nalatenschap voor tweehonderd gulden een monstrans gekocht. Pastoor Van Lengell wordt opgevolgd door de uit Emmerich afkomstige pastoor Hieronymus Killer, die pastoor blijft tot 1704.

Gedurende het pastoraat van laatstgenoemde wordt aan de zuidzijde van de kerk, in de verwoeste Mariakerk, een Mariakapel opgericht.

In 1720 wordt de uit een Zevenaarse magistraatfamilie afkomstige Henricus Becher R.K pastoor van Oud-Zevenaar. Hij zal dit gedurende een periode van ruim een halve eeuw tot 1772 blijven.

Gedurende het pastoraat van laatstgenoemde wordt aan de zuidzijde van de kerk, in de verwoeste Mariakerk, een Mariakapel opgericht.

In 1720 wordt de uit een Zevenaarse magistraatfamilie afkomstige Henricus Becher R.K pastoor van Oud-Zevenaar. Hij zal dit gedurende een periode van ruim een halve eeuw tot 1772 blijven.

In 1825 beschrijft Pastoor G. Mulder van Oud-Zevenaar de wonderbaarlijke gebedsgenezing van het meisje Maria Gustenhoven, die al vele jaren lijdt aan zeer ernstige kramp- en zenuwtoevallen.

In 1834 laat het kerkbestuur van Oud-Zevenaar aan de overzijde van de Kerkweg een nieuwe school bouwen.

Een 19e eeuwse tekening van de Oud-Zevenaarse (Alt Sewenaer) St. Martinuskerk met daaromheen het kerkhof

Hoofdmeester is Theodorus van de Kamp. In 1837 telt de parochie Oud-Zevenaar (in die tijd omvattende Oud-Zevenaar, Babberich, Grieth, Kwartier, Ooy, Zweekhorst en Holthuizen) 349 huizen en ongeveer 2.200 inwoners, waarvan ongeveer 2.050 Rooms Katholiek en 130 Hervormd. Het overgrote deel van de bevolking is werkzaam in de landbouw.

Tot omstreeks 1840 vinden in volle luister Mariaprocessies vanuit Elten, Groessen, Duiven, Pannerden en Loo naar Oud-Zevenaar plaats. Na 1840 stoppen deze georganiseerde bedevaarten geleidelijk; vermoedelijk omdat de "moderne" pastoor Mulder deze achterhaald vindt. In het begin van de 20e eeuw zal de Maria-devotie in Oud-Zevenaar echter weer met kracht herleven en komen de georganiseerde processies weer in zwang.

Tussen 1906 en 1909 wordt de huidige Mariakerk gebouwd.  Het orgel wordt dan door zoon J. Schwartze uit Anholt in 1911 gerenoveerd en verplaatst vanuit de toren naar de nieuwe koorzolder boven de sacristie. In 1906 wordt aan de Dijkweg (Lijkweg) in Oud Zevenaar een nieuw kerkhof ingezegend door Deken S. van Os, pastoor van Zevenaar. De oude begraafplaats rondom de kerk, die vele eeuwen als zodanig dienst heeft gedaan, wordt decennia later geruimd met uitzondering van het familiegraf van de Neree.  In 1912 wordt C. Th. Voss pastoor in Oud-Zevenaar. Hij zal dit blijven doen tot 1932. Pastoor Voss staat bekend als weldoener voor de armen en is de eerste pastoor die aan de Dijkweg te Oud-Zevenaar begraven wordt. In 1858 wordt het Schwartze orgel geplaatst op de koorzolder onder de toren. Oorspronkelijke delen uit dit orgel zijn in het huidige orgel verwerkt.

De versierde Martinuskerk (1916) t.g.v het jubileum van pastoor Voss.

Op 10 oktober 1916 komen uit de parochie Gendringen, 180 pelgrims op bedevaart naar Oud-Zevenaar ter ere van de Heilige Maria. Op 8 september 1919 komen 125 bedevaartgangers uit de parochie Pannerden naar Oud-Zevenaar ter verering van de Heilige Maria. Na zijn priesterwijding op 25 juli 1926 wordt de vooral in latere tijd in R.K kringen vermaard geworden Herman (H. J. H. M) Fortmann enige tijd kapelaan in de R.K parochie Oud-Zevenaar. In latere jaren wordt Fortmann onder meer hoogleraar aan het seminarie Rijsenburg en de Rijks Universiteit Utrecht. In 1950 wordt hij belast met de oprichting van het filosoficum Dijnselburg in Huis ter Heide bij Zeist, waar toekomstige priesters vele decennia hun wijsgerige en theologische opleiding ontvangen. Ook tegenslagen zijn hem niet bespaard gebleven. H.J.H.M Fortmann (1904-1968)

In 1931 krijgt de Oud-Zevenaarse kerk prachtige gebrandschilderde ramen van Joep Nicolas.

Joep Nicolas (1897 - 1972).

Op 30 december 1942 worden de klokken van de Oud-Zevenaarse Martinuskerk door de Duitsers uit de toren gehaald. 

"Klokken uit de toren, de oorlog is verloren", zeiden de mensen toen.

De klokken.

Tot in het begin van 1900 was het in de Liemers gebruikelijk om in de namiddag van 24 december een tijdlang de  klokken te luiden. Dit zogenaamde Heiligavondluiden was bedoeld om de mensen eraan te herinneren dat de volgende dag een belangrijke feestdag was.  Tijdens het Heiligenluiden in de winter van het jaar 1828 barstte één van de klokken in de Oud-Zevenaarse toren. Het was een klok die in 1669 was gegoten.

Deze klok is de oudste waarvan we het bestaan kennen. Ongetwijfeld hebben in de kerk de klokken van een oudere datum gehangen maar daarvan zijn geen gegevens bewaard gebleven. Ondermeer een klok die in 1664 is gegoten door Peter van Trier voor de R.K. Kerk in Oud-Zevenaar, de Mariaklok.

De vernielingen in de Tachtigjarige Oorlog hebben niet alleen de middeleeuwse klokken verloren doen gaan, maar teven s de archiefstukken.

De klok, die het in de Kersttijd van 1828 begeven had, werd al spoedig ‘vergoten’. De klok woog 1580 pond Kleefs, d.w.z. 790 pond Nederlands. Pastoor G. Mulder  pastoor van Oud-Zevenaar, noteerde het opschrift alvorens de klok in de smeltoven verdween:

Gij burgers van AltSevenhaer! Die bid Stond ik U openbaar S. Martinus est nomen meum

Theodorus Lengel Pastoor ….. Eijckholt Kerkmeester

Johan van Heerde tot Camphuisen

Erfdijkgraaf van babburg en Holthuisen

J. Vrijheer van Lottum Ambtsman in de Liemers en Huissen

Petrus Trevisensis me fecit 1669

Trevisensis , de Nederlandse naam is van Trier, veel mensen lieten hun naam latiniseren, oftewel omzetten in het Latijn, zoals Masius, Maas


Vijf jaar eerder, in 1664, heeft Peter van Trier ook een klok voor Oud-Zevenaar gegoten. Deze klok was volgens aantekening in het Kerckeboek van pastoor Lengel toegewijd aan Maria en woog 2443 pond. De totale kosten waren,1927 gulden en 18 stuiver. Dit bedrag werd door de bewoners bijeengebracht en binnen twee jaar aan de klokkengieter betaald. Opvallend is dat ook bewoners van de Gelderse Waard en zelfs enkele personen uit Herwen en Aerdt een bijdrage leverden. Volgens het Kerckeboek moet erop gestaan hebben:

Maria, Sicut et Dei purae inprassam refert imaginem.

Deze klok was geen lang leven beschoren. In 1734 omtrent het feest van St. Michiel (29/9) barstte de klok toen men de overleden prins Filip van Brandenburg, naar het gebruik van de tijd, langdurig ‘overluidde’. Peter van Trier stamde uit een bekend geslacht van klokkengieters, die in de zestiende en zeventiende eeuw van Aken, later vanuit Nijmegen, Bemmel en  Huissen klokken leverden in het gehele land tussen Maas en Rijn en ver daarbuiten.


Jean Petit

De gebarsten Maria-klok van Peter van Trier vormde ongetwijfeld dat klokkengieter Jean Petit in het jaar 1737 een klok voor Oud-Zevenaar kon gieten. Deze Jean Petit  was een telg uit de bekende Lotharingse  klokkengieters familie Petit en Jullien. Deze betrekkelijk kleine klok was volgens het opschrift geschonken door het St. Anna-gilde. In het  streekarchief van Zevenaar bewaart men een afwrijfschel op papier dat in de decembermaand van 1942 werd gemaakt alvorens de klok t.b.v. de Duitse wapenindustrie werd afgevoerd. Volgens dit archiefstuk droeg de klok de opschriften:

E.V. Hecking SK M Raht en Rent MR Henr Becher Pastor Herm Eickhold Kerck Mr  Jean Petit me fecit anno 1737.

P.A van heerde tot Amphuysen Erfdgr in Babb en Holthuysen Captain van S. Anna Gild. Vergoten op costen van S. Anna Gild in Babb en Holthuysen.

Verder stond er onder een opgegoten reliëf voorstellende St. Anna-ten-Drieen de bede:

S.Anna ora pro nobis.

Helaas zijn in het eigen  archief van het Gilde geen stukken aanwezig waarin meer te vinden is over deze unieke gildeklok.


Peter Boitel

Reeds spoedig nadat in de winter van 1828/29 de St. Martinusklok, gegoten door Peter van Trier, was gebarsten, deed zich een gunstige gelegenheid voor om de klok te hergieten. Klokkengieter Peter Boitel had een opdracht in Huissen en wilde tegen een gunstige prijs het karwei op zich nemen.  De parochianen konden naar eigen goeddunken inschrijven voor  een bepaald bedrag. Spoedig was het totaal van de toegezegde bedragen groot genoeg zodat de zaak financieel rond was. Op 13 juni ondertekende Peter Boitel en Pastoor G. Mulder een contract waarin de vergieting werd geregeld. Op 5 augustus werd de klok naar Huissen gebracht en daar gewogen. Een week later is de nieuwe klok gegoten en op 14 augustus naar Oud-Zevenaar gebracht. Het volgende opschrift was aangebracht:

SanCto Martino tUronensl EplsCopo hUIUs AeDls Patrona a plls paroChlantls reno Vata G. Mulder Pastoor J.W. Bodd Kapellaan en P. van der Camp Koster F.J. de Nerée Heer van Baaberick en Kamphuisen President W. van Egeren en D. Harmsen leden van den kerkenraad J.Fontein, J. van Egeren en H. van kempen Kerkmeesters P.Boitel me fudit 1829


Petit en Edelbrock

Blijkens een aantekening van pastoor  Oosterink in het kerkarchief waren in de jaren zestig van de negentiende eeuw twee grote klokken  gebarsten. Uit de rand van beide klokken waren zelfs stukken gevallen.

Op 17 november 1864 werd een overeenkomst gesloten met de firma Petit en Edelbrock in het Westfaalse Gescher voor het vergieten van deze slechte klokken. In het voorjaar van 1865 waren de nieuwe klokken gereed en werden vanuit Gescher naar Oud-Zevenaar gehaald. Bij de grens moest een bedrag van 87 gulden en 66 cent aan invoerrechten worden betaald.. Op 9 mei 1865 werden de beide klokken  gewijd door J. Westerman, de deken van Doesburg waaronder Oud-Zevenaar hoorde. De grote klok werd toegewijd aan de Onbevlekte Ontvangen Maagd Maria, de kleine aan St. Martinus.

De grote of Maria klok had het opschrift.:

Sancta Maria immaculata concepta G.I. oosterik pastor L.W. Brugman kapl E.Bos. Verhoeven, E. Bergervoet, H. Reitger kerkm

Petit en Edelbrock me fuderunt.


Onder een opgegoten reliëfje voorstellende Maria stond de tekst;

Ora pro parochianis.

Op de kleine of Martinusklok , de vergieting van de klok van Boitel , stond in releif St. Martinus afgebeeld. De tekst luidde:

S.Martinus episcopus patrocinetur suos Petit en Fra Edelbrock me fuderunt 1865


In december 1942, enkele dagen voor Kerstmis, werden in de gehele Liemers de klokken uit de torens gehaald en begin januari 1943 naar een opslagplaats in Doesburg gebracht. Vandaar werden de klokken naar Tilburg vervoerd waar ze onderworpen werden aan een nader onderzoek naar de kunstwaarde. Slechts enkele klokken werden daar uitgeselecteerd ombewaard te blijven. De toen nog geen 100 jaar oude klokken van Petit en Edelbrock voldeden niet aan de criteria en werden zoals vele andere klokken naar Hamburg verscheept en verdwenen daar in de smeltovens. Ook de uniek gildeklok van Jean Petit uit 1737 ging deze weg.

In 1947 werd weer een klok in de toren gehangen die gewijd is aan St. Martinus. Een randschrift houdt daarop de herinnering leven aan de sombere oorlogstijd.


De nieuwe klokken

Na precies 50 jaar is de monumentale Martinuskerk weer drie klokken rijk.

De twee klokken zijn op 29 april 1992 gegoten bij de Koninklijke klokkengieterij Petit en Fritsen te Aarle Rixtel.

Martinus, de deelzame, moge ons brengen tot meeleven en meedelen met elkaar;

Maria, de moeder van smarten, zij moge ons brengen tot geduld en geloof in ons lijden;

Franciscus, de man van vrede, hij moge vrede brengen in ons leven, in ons gezin en onze families, in ons dorp en onze parochie.

Martinus,Maria en Franciscus: bidt voor ons.


Met zo maar een druk op de knoppen in de sacristie roept de koster ons naar de kerk.

Op 14 maart 1958 wordt pastoor Scholten geinstalleerd.

H.J. Knippers is pastoor in Oud-Zevenaar in de periode 1946 - 1964.

Hij is de opvolger van pastoor Hageman, pastoor in de periode 1932-1946. Knippers is begraven op de begraafplaats in Oud-Zevenaar op een ereplaats voor de kapel met het kruisbeeld en de beelden van Maria en Johannes. 

In Oud-Zevenaar vindt op 3 oktober 1965 voor de laatste (?) keer een georganiseerde bedevaart ter ere van de H. Maria plaats. Gedurende diverse perioden in de geschiedenis vanaf het eind van de middeleeuwen is de Oud-Zevenaarse parochiekerk het bloeiende middelpunt geweest van een sterke Mariaverering.

Uit de Oud-Zevenaarse St. Martinuskerk wordt in 9 juni 1975 een zeer waardevol Mariabeeld, een albasten piëta, gestolen. Eeuwenlang is de Martinuskerk een bedevaartskerk, waarbij dit Mariabeeld een belangrijke trekpleister is voor de vele pelgrims.

In 1981 heeft glazenier Geutjes uit Venlo  de  gebrandschilderde ramen gerestaureerd.

In Oud-Zevenaar herdenkt pastoor G.J. Scholten op zondag 6 juli 1989 dat hij  vijftig jaar geleden tot priester is gewijd.   

Gerrit Scholten is geboren op 4 januari 1915 in Denekamp en gaat in 1927 naar het klein-seminarie in Culemborg; vervolgens in 1933 naar het groot-seminarie Rijsenburg bij Driebergen. Op 23 juli 1939 vindt de priesterwijding plaats. Vervolgens wordt hij kapelaan in Munsterseveld, Vinkeveen (gedurende de oorlogsjaren), Deventer en Arnhem en pastoor in Spijk en vanaf 14 februari 1964 tot 1990 is hij pastoor in Oud Zevenaar.

Op 1 december 1991 wordt pastor van Doorn officieel benoemd tot pastor van de parochie Sint Martinus. Na een lange periode van  de behoudende pastoor Scholten is dit toch wel een grote overgang. Met allerlei activiteiten weet hij al snel een plaatsje binnen de gemeenschap te veroveren. Hij loopt vooraf de dienst vaak door de kerk met een “big smile” om de mensen te verwelkomen. Sommige parochianen hebben af en toe de neiging om een paraplu mee te nemen of een regenkapje op te zetten. Want als de pastor een emmer wijwater tot zijn beschikking heeft, kan iedereen volop meegenieten.

In 1992 krijgt de Martinusklok gezelschap van de Maria- en de Franciscusklok.

Op 5 augustus 1997 viert pastor van Doorn zijn 40-jarig priesterfeest.

In 2005 wordt de toren en de windvaan gerestaureerd.

In 2013 worden het kruis, de haan en de bol gerestaureerd.

In 2013 worden het kruis, de haan en de bol gerestaureerd.

Tijdens de processie op 21 juni 2015 werd het nieuwe Sint Martinusvaandel gewijd, dat gemaakt werd door Jeannet Scholten.

Het pastoraal-liturgisch gebruik is gering tot zeer gering. Dit kan onderbouwd worden met cijfers. 

Het in stand houden van de organisatie rond het gebouw en de meestal slecht bezochte weekendliturgie kost veel tijd, energie en geld.

Daarom  heeft het Parochiebestuur van de Willibrordusgeloofsgemeenschap besloten om deze kerk te sluiten, dit met ingang van

01 januari 2021.

HET KERKGEBOUW

Binnen in de kerk

De Sint Martinuskerk te Oud–Zevenaar is een pseudo basiliek. De laatgotische  kerk bestaat uit:

- grotendeels ingebouwde toren

- middenschip

- smallere noordenzijbeuk

- zuider nevenschip

- priesterkoor

- koor.

Schematisch gaan we via de zij-ingang linksaf richting Jozef altaar voor het priesterkoor naar het Maria altaar, dan weer rechtsaf tot de Piëta, daarna richting zijuitgang.

Wijdingskruis 

Bij de ingebruikname van de kerk, verbouw en ontheiliging werd door de bisschop, samen met hoge geestelijken de apostelkruisjes gewijd en met chrisma gezalfd en bewierookt. Ze symboliseren de 12 apostelen. Die plekken werden aangegeven door een geschilderd wijdingskruisje, of te wel apostelkruisje of consecratiekruisje. De consecratie betekende dat het gebouw alleen nog voor de eredienst bestemd was. De grens tussen wereldlijk en geestelijk lag niet altijd even scherp. In de kerk gebeurde heel wat, dat nu oneerbiedig gevonden zou worden. Maar een moord in de kerk, dat ging te ver. De kerk was dan ontheiligd en moest opnieuw gewijd worden.

De wijdingsdag was en bleef eeuwenlang een feestdag voor de gemeenschap, gevierd met een 'kerkmis', waarnaar het bijbehorende, behoorlijk profane (ontheiligen) feest 'kermis' ging heten.

Er wordt gezegd dat als je op een bepaald punt in de kerk staat kun je ze allemaal zien(?).

De Gele Lis is ook een symbool voor de Heilige Maagd, maar ook voor de Heilige Drie-eenheid, door zijn drie kroonbladeren. De punten aan het uiteinde van het kruis symboliseren het lijden. In de Griekse mythologie was Iris (de godin van de regenboog) de snelle boodschapster van goden en godinnen. Bewoog zich tussen hemel en aarde langs de regenbogen om de mensen de goddelijke wensen over te brengen. Het is een Griekse gewoonte om irissen te planten bij de graven van verwanten. De iris symboliseert een (meestal goede) boodschap. De plant is ook het symbool van faam, welsprekendheid, passie en hartstocht. Volgens een legende ontstonden de lissen uit de tranen van Maria, toen zij op de vlucht uit Egypte op een kale woeste plek uitrustte. De scherpe kanten van het blad zouden aan haar leed en de mooie bloemen aan haar liefde herinneren.

Booggewelfsteunen

De noorderzijbeuk heeft originele middeleeuwse gewelven die gesteund worden door kraagstenen met primitieve maskers. Enkele kraagstenen van de gewelven zijn versierd met vrij grove maskers. De primitieve expressie doet vermoeden dat zij ouder zijn dan de kraagstenen in de kerken van Duiven en Groessen.

Norbertus

Op de console staat een eikenhouten beeld van Norbertus. Het is gemaakt omstreeks 1480 en is 116 cm hoog. De heilige staat op een zeshoekig voetstuk.

Over een lang gewaad met superplie is een mantel geslagen, gesloten met een speld.

Norbertus werd omstreeks 1080 te Gennep geboren.

Na een carrière aan het hof van de bisschop van Keulen trok hij als prediker door het land.

Omstreeks 1120 stichtte hij de orde van de Norbertijnen.

Later werd hij bisschop van Maagdenburg en stierf in 1136 te Praag.

Gebrandschilderde ramen in de noorderzij beuk

Het offerblok en een nis naast het Jozefaltaar.

Jozefaltaar


Het Jozefaltaar is ca 350 cm hoog en 230 cm breed; gepolychromeerd linden- en eikenhout.

Het altaar is gemaakt in 1664. De retabelkast (achterbouw van het altaar) bestaat uit en rondboognis met schelpmotief, geflankeerd door een getorste zuil waar omheen een wingerd met druiventrossen. In de nis bevindt zich nu St. Jozef met boek, dat vervaardigd is in de 19e eeuw.

Vroeger stond er het oorspronkelijke beeld in van St Anna- te drieën, dat zich nu bevindt in het Aartsbisschoppelijk museum te Utrecht.

In een ovaal medaillon is het Alziende oog te zien in een gebroken fronton omgeven door voluten. De vleugelstukken zijn versierd met voluten waaraan zich parelmotieven en druiventrossen bevinde. Op het tabernakel zie jeeen kelk met stralende hostie. Tegen het basement of de predella twee ovale schilden in cartouche met de tekst Lengel en 1664. De retabelkast is samengesteld uit orginele zeventiende eeuwse onderdelen en uit toevoegingen van de negentiende eeuw. Theodorus van Lengell, de jongere, heeft dit altaar gechonken. Hij was is tot zijn dood in 1670 pastoor van Oud-Zevenaar.

St. Anna- te drieën.

Het beeld werd in 1664 te Antwerpen gesneden in het atelier van de beeldhouwer Quellinus.

In 1946 schonk de Oud-Zevenaarse parochie het door houtworm en vocht aangetaste beeld voorstellende St. Anna te Drieën  aan het toenmalige Aartsbisschoppelijk Museum te Utrecht.

St. Annagilde

Vermoedelijk is het Jozefaltaar in 1664 opgericht voor het St. Annagilde. Het oude zilverwerk van het gilde uit 1704, bestaande uit een borstplaat en vijf schilden, bevindt zich thans in het Liemers Museum, maar werd voorheen op Huis Camphuysen bewaard. Dit huis, de kerk van Oud-Zevenaar, St. Anna en haar kind Maria en het wapen van de Fam. Van Heerde zijn gegraveerd op de borstplaat. Op de achterzijde staat het jaartal 1704. Het St. Anna gilde houdt ieder jaar op 26 juli een verteerdag.

Het gilde is in 1433 in het leven geroepen.

Altaarsteen St. Jozef


Altaar of offerplaats is een zware tafel van steen of hout, waarop tijdens de Eucharistie brood en wijn geplaatst worden. In het delen van brood en wijn gedenken we dat Christus door zijn dood een offer voor de mensheid heeft gebracht. Vandaar dat het altaar ook 'Tafel des Heren' wordt genoemd.

In elk altaar zijn relikwieën aangebracht onder een altaarsteen. Over het altaar ligt een altaardwaal (wit kleed).

De altaarsteen is voorzien van vijf kruizen die verwijzen naar de vijf wonden van Christus.

Een altaar wordt door een bisschop gewijd. Het altaar wordt dan met wijwater gewassen en gezalfd met chrisma.

Doopvont

Op een conische voet een bol vont, waarvan het ingezwenkt bovendeel is versierd met knorren.

Op de deksel eveneens knorren, met gegraveerde ornament, waarbij er één voorzien is van het jaartal 1650.

Als bekroning een bol met kruisje.

De vont staat op een houten drievoet met balustervormige bol. De marmer-beschildering van 2003 is nog altijd aanwezig.

Priesterkoor

Corpus Christi


Het corpus is het oudste kunstvoorwerp van de kerk, het is van eikenhout en 65 cm hoog.

Christus hangt aan het kruis, het hoofd naar links gebogen. De lendendoek hangt af tot over de linkerknie en is op de heup geknoopt. Beide voeten zijn over elkaar genageld. De parallelle plooien en het model van de lendendoek zouden ontstaan vermoed men in de tweede helft van de dertiende eeuw.

Het corpus hangt thans aan een nieuw triomfkruis, en is in 1983 vervaardigd aan de hand van gelijke kruisen uit de 12e eeuw.

Altaar


Het altaar zelf stamt uit 1974 en bevat koperen versieringen van de voormalige communie bank.

Altaarkruis


Het  altaarkruis is 76 cm hoog en van gedreven op zwart gelakt hout.

Onder het altaarkruis staan de volgende merken :

- stadsteken Kalkar

- RR Rabanus Raab 1654-1730

- Waardijnsteken 1709


Christus hangt aan een kruis waarvan de balken eindigen in een cartouche waarin een reliek. Boven een banderol met INRI. Aan de onderzijde een schedel en knekels.

Het voetstuk op drie bolpootjes is aan de voorzijde bekleed met gedreven zilver. In het midden een gekroond alliantiewapen:

- 1 schuin kruis met hartschild waarin een ruit (Onstein)

- 2 drie bloemen (Heyendaal)


Onder elk wapen is de desbetreffende naam gegraveerd. De wapens worden omgeven door bladvoluten. Deze herinneren aan het echtpaar Onstein en C Heijendaal, dat woonde op Kl. Poelwijk en het kruis geschonken heeft.

De vieringenbel


naast de ingang van de sacristie is van omstreeks 1900.


De twee handbellen.

Sacristiedeur


De sacristie wordt afgesloten met een schitterende zware eikenhouten deur met beslag van gietijzer.

In de sacrestie staat een Mariabeeld met kind.

Maria staat op een voetstuk met vier inzwenkingen.

Op de linkerarm draagt zij het halfnaakte kind dat een rijksappel in de hand houdt, met de andere hand maakt het een spreekgebaar.

De sluier die overgaat in de mantel hangt deels voor het lichaam af.

In de rechterhand houdt Maria een soort staf.




Sacristie

De sacristie is het vertrek in een kerk waar zowel het liturgisch vaatwerk als de paramenten bewaard worden.

Het interieur van een sacristie is strikt voorgeschreven. Zo moet er een plaats zijn waar de voorganger zijn handen kan wassen, en afdrogen. Daarnaast zijn er verschillende opbergmeubels voor boeken en kasten. Voor de mis legt de koster hier alle gewaden klaar die de voorganger nodig heeft. Deze worden klaargehangen. De priester hoeft dan enkel de gewaden aan te trekken. Als de mis gedaan is wordt alles weer opgeborgen, en het geld van de omhaling opgeborgen in een kluis. Hetzelfde geldt voor de kelk en het liturgisch vaatwerk.

De brandkast

Monstrans


Ook treft men in de sacrestie een zware brandkast aan, waarin de monstrans staat. De monstrans heeft een hoogt van 76 cm en is van zilver. Een monstrans is een religieus voorwerp, waarin de geconsacreerde hostie getoond wordt. Monstrans is afgeleid van het Latijnse woord monstrare, wat tentoonstellen betekent. Ovale voet in twee geledingen. De onderste versierd met een reeks gestyleerde druiventrossen. Op de welving zijn vier cartouches waarbinnen inscripties met bloemslingers, die opgehouden wordt door engeltjes. (1546). Aangeboden door baron van Nispen 1807 bij de installering van Gerardus Mulder als pastoor te O. Zevenaar. Er staan vier evangelisten symbolen: leeuw, rund, engel en adelaar. Twee engeltjes houden een kroon boven de Geestesduif in stralenkrans. Via de sacristie gaat men naar traptoren en koorzolder.

Broedermeesterstaf met kruisbeeld.

Broedermeesterstaf met de afbeelding van Martinus.

Processiekruis


Een processiekruis is een op een stang bevestigd kruisbeeld, dat bij de feestelijke in- en uittocht van de Heilige Mis, bij processies, begrafenissen of bij het bidden van de Kruisweg wordt gedragen door een misdienaar.

In de regel zal het crucifix altijd een corpus hebben. Dat wil zeggen dat er een afbeelding van Christus, hetzij gestorven of verrezen, op het kruis wordt voorgesteld.

De drager van het processiekruis wordt de croceferarius of kruisdrager genoemd. De croceferarius draagt meestal witte handschoenen ten teken van eerbied.

De meeste processiekruisen zijn verguld of verzilverd.

Mariabeeld.


Maria staat op een voetstuk met vier inzwenkingen. Op de linkerarm draagt zij het halfnaakte kind dat een rijksappel in de hand houdt, met de andere hand maakt het een spreekgebaar. De sluier die overgaat in de mantel hangt deels voor het lichaam af. In de rechterhand houdt Maria een soort staf.

Maria Kroon


Richard Jan Willem Cornelis De Neree tot Babberich heeft de kroon rond 8 december 1879 bij de gelegenheid van het 25 jarig bestaan van het dogma van de Onbevlekte Ontvangenis van Maria aan de Sint Martinisparochie geschonken.

Deze kroon en het Mariabeeld kostten toentertijd ieder 120 gulden.

In de kroon staat de Latijnse tekst:

Deiparaequae sine labe esse proclama.

Vertaalt: Voor de moeder Gods, die is verkondigd zonder erfzonde te zijn.

Jozefbeeld.

Via de sacristie gaat men naar de traptoren en de koorzolder.

Traptoren.

Het toetsenbord van het orgel.

Franciscus.

Het hoofdaltaar van de Martinuskerk in Oud-Zevenaar heeft eeuwenlang als zij altaar in het Franciscaner klooster te Elten dienst gedaan (1681 – 1811) met daarin het schilderij met de afbeelding van Franciscus. Franciscus is geboren op 5 juli 1182 en overleden op  3 oktober 1226. Hij was een zoon van Petrus van Bernardone, een welgestelde lakenkoopman uit Assisi. Franciscus was in zijn jeugd al een creatief en fijngevoelig mens. Toen hij ouder was trok hij zich als een kluizenaar terug in de eenzaamheid en wijdde zich aan de melaatsen, het herstellen van kerkjes en aan het gebed. Zelf wilde hij de allerarmste zijn. Vanaf dat moment werd zijn enige geliefde 'Vrouwe Armoede'.

Franciscus wordt afgebeeld in het verschoten grauw-bruine habijt dat hij altijd droeg. Hij draagt als gordel een touw met drie knopen. Deze verwijzen naar de drie geloften, die de minderbroeders afleggen. (armoede, dienstbaarheid, geweldloosheid).

Verder heeft hij (vanaf de 16e eeuw) vaak een schedel bij zich, die de vergankelijkheid van al het stoffelijke symboliseert. Zijn lijden, opoffering, het kruis als martelwerktuig komen vooral bij de renaissanceschilders Holbein en Grünewald, onder invloed van Franciscus, sterk terug in hun schilderijen. De lelie symboliseert maagdelijkheid, vrede, geestelijke liefde, onschuld en vergankelijkheid.

Tabernakel met pelikaan


In het tabernakel worden de gewijde hosties bewaard. Het tabernakel stond op het vroegere hoofdaltaar. Op het tabernakel staat zogenaamd expositiestandaard met een pelikaan die haar jongen voedt met bloed uit haar borst. De pelikaan wordt in de jaarlijkse processie meegedragen.


Pelikaan met drie jongen op het nest.

Naast de pelikaan een standaard van een  expositievaantje, aan de vlakke achterzijde zijn een aantal metalen rringen ter bevestiging van het vaantje.


Het feit dat nestelende pelikanen hun snavel naar de borst buigen om hun jongen met in hun keelzak meegebrachte vissen te voeden, leidde tot een verkeerde waarneming dat de ouders zich de borst openreten om de jongen met hun bloed te voeden. De rode vlek op de krop en keelzak van de pelikaan, die tijdens de broedtijd op een bloedende wond lijkt, heeft hiertoe zeker bijgedragen. Daarmee werd de pelikaan tot symbool voor de offerdood van Christus en ook voor op offerende ouderliefde. Tijdens de broedtijd vallen bij veel vogels de borstveertjes uit en komt de zogeheten broedplek bloot te liggen. Een naakte, sterk doorbloede plek, waar later de eieren tegenaan komen te liggen als ze bebroedt worden en veel warmte nodig hebben.

Nis


Als men met het gezicht naar en voor het hoofdaltaar staat ziet men rechts een nis in de muur. Deze nis diende in de middeleeuwen zodat de priesters hun handen konden wassen. Dit gebeurde voor de aanvang van de dienst.

De nis zit zo laag, doordat de gehele vloer en het priesterkoor van de kerk is opgehoogd met ongeveer één meter.

Godslamp.


De lamp bestaat uit twee balustervormige delen waarvan de onderste helft versierd is met omlijste knorren. Ook de geledingen aan de onderzijde en de bolvorm aan de bovenzijde hebben een soortgelijke versiering. De 3 houders waaraan de kettingen zijn bevestigd bestaan uit halffiguren. De totale hoogte is 114 cm.

De godslamp is omstreeks 1700 gemaakt.

Preekstoel


De preekstoel is van begin 1900.

Op de preekstoel is de tekst verwerkt uit Mattheus XIII.31:

HET RIJK DER HEMELEN IS GELIJK HET MOSTERDZAADJE

Hoofdaltaar


Het is een neo-barok altaar (6m hoog) met een schilderij in getoogde lijst voorstellende Martinus. Aan weerszijden getordeerde zuilen met korintische kapitelen (bovenste van versierde zuil). De zuilen dragen een gebroken fronton. Zijdelings van het tabernakel vleugelstukken waarin een engel temidden van duiventrossen en korenaren. In het koepelvormig tabernakel met getordeerde zuiltjes een nis waarin een kruisbeeld. Aan beide zijden een beeld links van Maria en Johannes rechts op basement met engelkopje in reliëf. Op de voetstukken van de beelden zijn in reliëf de evangelisten symbolen aangebracht links, Lucas rund, rechts engel Mattheus. Oorspronkelijk bevonden zich beelden van deze evangelisten op deze voetstukken.

Kroon


In de Kersttijd, Paastijd en Pinkstertijd hangt ter versiering de kroon met geelwitte linten boven het priesterkoor. De kroon is door de carnavalsvereniging De Nachtuulen in 1991 geschonken ter vervanging van de kroon die in de jaren 60 van de vorige eeuw gevallen is.

Geel en wit zijn de pauselijke kleuren.

Ramen priesterkoor


In het midden van elk raam een scène uit het leven van de heilige Martinus omgeven door bladmotieven. De glas in loodramen werden omstreeks 1900 door F. Nicolas gemaakt en stellen taferelen voor uit het leven van de H. Martinus. Op de gebrandschilderde ramen ziet men de doop van Martinus, Martinus bouwt een klooster en Martinus deelt zijn mantel met een bedelaar.

De Paaskaars met kandelaar.

Wierookvat en standaard.

Gedachteniskruisje

Eenvoudig houten kruisje met de naam van een overleden parochiaan. Deze kruisjes hangen op een speciale plek aan de kerkmuur, op een bord.

Door het tweede Vaticaanse Concilie (1962 -1965) werden kerken van binnen witgekalkt en versoberd, veel beelden van heiligen verdwenen uit de kerk. Een soort tweede beeldenstorm. Pastoor Scholten heeft de Martinuskerk voor hiervoor behoed.

Maria-altaar


De hoogte van het Neogotisch Maria-altaar is 350 cm en de breedte 250 cm; deels  van verguld en gepolychromeerd hout, toegeschreven aan NV Kunstwerkplaatsen Cuypers en Co te Roermond en is rond 1910 gemaakt. Vermoedelijk is het Maria-altaar geplaatst na de verbouwing van de zuiderzijbeuk in 1909. Het altaar moet voor de middeleeuwse beelden zijn ontworpen: Maria met kind, Catharina, Barbara en de piëta).

Waarschijnlijk is eveneens de muurschildering van de twee engelen en de gordijnen achter het altaar door Cuypers aangebracht, evenals de schilderingen aan de orgelkast.

Centraal in het midden staat de Piëta, het is een kopie van het beeldje dat in 1975 werd gestolen. Het oorspronkelijke albasten beeldje uit ca. 1440 werd Nood Gods genoemd.

Aan beide zijden zijn reliëfbeelden gesneden van Anna (links) en Simeon (rechts). In de altaartafel is een medaillon met een Maria-monogram aangebracht.


Tevens werden er enkele antieke beelden van maagd-martelaressen opgenomen:

- Cecilia met orgeltje( 1916),

- Catherina( 1480), (eikenhout) met boek en filosoof onder haar voeten (25/11)

- Madonna(1340), staande met kind met druiventros op linkerarm en scepter in rechterhand,

- Barbara (1480),(eikenhout) met boek met palmtak en toren aan de voeten,

- Agnes(1916).

Simeon

Simeon is de tweede zoon van Jakob. Zijn moeder is Lea. De Hebreeuwse betekenis van de naam is: hij die luistert of hij wordt verhoord. Simeon was volgens het Lucasevangelie een rechtvaardig en vroom man. Hij zegende Jezus en zijn ouders. Het verhaal over Simeon is terug te vinden in Lukas 2:25-35.

Op het moment dat Jezus en zijn ouders in de tempel in Jeruzalem waren, werd Simeon door de Heilige Geest geleid om ook naar de tempel te gaan. Simeon nam het kind Jezus in zijn armen, en begon God te loven.

'Weet wel dat velen in Israël door hem (Jezus) ten val zullen komen of juist zullen opstaan. Hij zal een teken zijn dat betwist wordt, en zelf zult u als door een zwaard doorstoken worden. Zo zal de gezindheid van velen aan het licht komen.

Anna

De betekenis is "gunst" of "genade". Anna was de moeder van de Maagd Maria en grootmoeder van Jezus Christus volgens de christelijke en islamitische traditie.

Anna wordt beschreven in het evangelie van Lucas als een heilige weduwe die Jezus als de Messias in zijn presentatie, samen met Simeon de rechtvaardigen herkent en beide vaak verschijnen in artistieke afbeeldingen. De rol van de Messias grootouders in de geschiedenis van de zaligheid werd vaak afgebeeld in vroege middeleeuwse devotionele kunst als Anna te Drieën met de familie drie generaties grootmoeder Anne, gezegend moeder Maria en goddelijke zoon Jezus.

De heilige Anna werd in de vijftiende eeuw een van de bekendste en geliefdste heiligen. Als grootmoeder van Jezus dacht men haar bijzondere macht toe als hemelse voorspreekster bij haar kleinzoon. Haar verering nam grootse vormen aan met name in het Rijnland en de Nederlanden. In vele steden werden Anna-Broederschappen opgericht, die zich inspanden om in kerken een eigen kapel te stichten, waar de leden wekelijks bijeenkwamen om er hun heilige te eren.

Medaillon met een Maria-monogram

Mystica Rosa

Rosa mystica of mystieke rose, is de symbolische naam van Maria in de katholieke kerk, gebruikt in de Litanie van Loreto. De roze, wit, roze of rood, door de kleur symboliseert het mysterie van de incarnatie. De witte roos (rosa mystica) was het symbool van volmaaktheid. De witte roos staat voor echte liefde en puurheid. Zoals de roos de mooiste bloem is en Maria de mooiste van alle vrouwen is.

Onder de  piëta staat de latijnse tekst van Lucas 2-35.

Vrij vertaald staat er: ”Een zwaard zal uw ziel doorboren”.

Cecilia


Het feest van Cecilia is op 22 november.

De in reliëf voorstellende Cecilia met het orgeltje. (1916)

Nadat zij de woede van de keizer had opgewekt probeerde men haar te verdrinken in haar bad, hetgeen wonderbaarlijk genoeg niet lukte. Daarna zou zij met het zwaard gedood worden, maar het maximale toegestane aantal van drie zwaardslagen overleefde zij volgens de legende. Zij leefde nog drie dagen, deelde al haar bezittingen uit onder de armen en stierf toen.

Meestal wordt zij afgebeeld met een snee in haar hals, door het zwaard aangebracht.

Van de ene hand strekt zij drie vingers omhoog, ten teken dat zij geloofde in de drie-eenheid.

St. Cecilia is niet alleen de patroonheilige van zangers doch ook van muzikanten, fanfares, instrumentenmakers, koorknapen, organisten, orgel- en vioolbouwers en kerkmuziek.

Zij wordt vaak afgebeeld met een muziekinstrument, palmtak of zwaard.

Catharina


De hoogte van het beeld is 57 cm. en van eikenhout met neogotische polychromie. Ca 1480 ( Kleef)

Zij staat op een rond voetstuk. Op het hoofd draagt ze een kroon. Op de linkerhand draagt ze een geopend boek terwijl zij met de andere hand de mantel vasthoudt.

Het gewaad heeft een V-vormige halsuitsnijding. Rechts onder op het voetstuk is Maxentius te zien. De polychromie is vermoedelijk rond 1910 aangebracht.

Onder het voetstuk is een stempel “Post Douane en Accijnzen Sektie Bergh Autoweg Berg Gld.

Van Catharina van Alexandrie gaat het verhaal dat zij omstreeks het jaar 300 ter dood werd gebracht. Zij moet vijftig filosofen in een dispuut (redetwist) de baas zijn geweest. Maxentius veroordeelde haar daarop om door een folterwerktuig met wielen waaraan scherpe messen zaten, gemarteld te worden. Een engel verhinderde dat echter door het te vernielen. Daarop werd ze onthoofd. In de vijftiende eeuw behoorde ze tot de meest populaire heiligen.

Feestdag 25 november.


Madonna met kind


In de ondiepe rondboog nis aan de bovenzijde van het altaar staat het beeld van Maria, het bovenlichaam iets achterover hellend, met op de linkerarm het kind dat een druiventros vast heeft; in de rechterhand heeft zij een scepter. Over een lang gewaad dat in geknikte plooien afhangt over het voetstuk is een mantel geslagen, die van de rechterschouder deels over het lichaam hangt en bij de linkerarm wordt opgehouden. Het type van Maria met de kleine mond en de lichte glimlach, de ogen en de haarpartij met de brede golven aan de slapen doen een ontstaan in Keulen vermoeden van omstreeks 1340, met neogotische polychromie.(eikenhout).

Hoogstwaarschijnlijk is dit madonnabeeld het miraculeuze beeld waarheen men reeds in de veertiende eeuw te bedevaart trok. Een belangrijke aanwijzing is dat deze Madonna op een Zevenaarse schepenzegel uit 1473 voorkomt.

Daarop wordt Maria als hemelkoningin afgebeeld met het kind op de linkerarm, in haar rechterhand de scepter en op haar hoofd een kroon. Men vereerde Maria in die tijd tronend op de zetel der wijsheid. Als men in die tijd, de piëta vereerde zou men wel de afbeelding van de piëta op de Zevenaarse schepenzegel hebben gezet.


Barbara


De heilige staat op een achthoekig voetstuk met naast zich links onder een toren met 3 vensters (drie-eenheid).

In de rechterhand houdt zij een boek, in de andere een schrijfveer. Haar blik is neerwaarts gericht. Om het naar achteren golvend haar is een hoofdband met parelmotief aangebracht.

Over een lang gewaad met V-vormige halsuitsnijding hangt van beide schouders een mantel af.

De schrijfveer en toren zijn waarschijnlijk vernieuwd evenals de polychromie van ca 1910.

Grote overeenkomst bestaat met en beeldsnijwerk, dat dateert uit 1474

Haar vader trachtte te voorkomen dat zijn dochter onder invloed zou komen van het Christendom, daarom sloot hij haar op in een toren met drie vensters.

Toen haar vader erachter kwam dat ze toch contact had met het christendom liet hij haar folteren. Toen dat niet lukte greep hijzelf het zwaard en onthoofde Barbara.

Direct daarna werd Dioscurus (vader) door een bliksemschicht gedood.

Feestdag 4 december.

Agnes


In reliëf voorstellende Agnes (1916)


Legende.

De heilige Agnes uit Rome werd vanaf de vierde eeuw als martelares vereerd.

Zij wilde niet trouwen daar zij als meisje van dertien jaar al haar liefde aan de Heer gegeven had. Toen zij daarom naakt in een bordeel geplaatst was, groeiden haar haren als een kleed om haar heen. De engel verscheen en reikte haar bovendien een kleed aan om zich te beschermen tegen de opdringerigheid van de jongeman en zijn vrienden.

Agnes is vervolgens onder de Romeinse Keizer Diocletianus (304) in het vuur gegooid, maar zij bleef ongedeerd. Een zwaard dat haar hals doorboorde, maakte tenslotte een eind aan haar leven.

In de middeleeuwen is het lam haar symbool.

Het lam verwijst naar het lam Gods: Agnus dei.

Het orgel


Boven het Maria altaar bevindt zich een Schwartze kerkorgel uit 1911. De orgelkast is van eikenhout.

Het is op een ongebruikelijke wijze geplaatst een wijze zoals die  in Engeland vaak voorkomt.

Het orgel is waarschijnlijk vervaardigd rond 1858 door de Firma Schwarze  te Anholt. Diverse onderdelen waaronder de meeste pijpen zijn van een oudere datum.

Bij de restauratie in 1985  kwamen kranten tevoorschijn uit 1830. Het orgel bevat overigens ook pijpwerk uit een Zutphens orgel uit 1830.

In 1911, bij het gereedkomen van de vernieuwde Mariakerk, wordt het orgel door zoon Ludwig Schwartze verplaatst naar de huidige plek boven het Maria-altaar met bediening op de koorzolder boven de sacristie. De organist zit op een verhoging met de rug naar het orgel en kijkt door de hoge ramen uit over de Oud - Zevenaarse dijk, een zelden voorkomende opstelling. Het orgel onderging daarbij enkele ingrijpende wijzigingen waaronder een nieuwe orgelkast en er vervallen 5 registers.

In 1987 is het orgel gerestaureerd door de orgelbouwer Elbertse uit Soest.

De orgelkast bestaat uit een vlak middendeel geflankeerd door een hoektoren met spitsboogopeningen in verschillende geledingen.

De schilderingen worden toegeschreven aan kunstwerkplaatsen Cuypers te Roermond. In de  onderste helft van het middenveld is een schildering aangebracht van Onze Lieve vrouw Onbevlekte Ontvangenis op de maansikkel in een stralende mandorla met aan weerszijden een engelenschaar.

H.Hartbeeld


Van het beeld naast het Maria-altaar zijn geen gegevens bekend. Er werden vroeger veel Heilig Hartbeelden geplaatst in en rond de kerken. In Nederland zijn de Heilig Hartbeelden vooral te vinden in de provincies Noord-Brabant en Limburg. Een Heilig Hartbeeld bestaat in de regel uit een staande Christusfiguur, gekleed in een lang geplooid gewaad. Meestal is op de borst een vlammend hart zichtbaar. De handen kunnen zegenend zijn opgeheven of wijzen naar het hart. Het materiaalgebruik wisselde sterk, er zijn onder meer beelden gemaakt van brons, kalksteen en gietijzer.

Kruiswegstaties


In de kerk hangen 14 kruiswegstaties geschilderd op linnendoek met olieverf, de afmetingen zijn 80 x69 cm

In 1857 door een onbekende geschonken aan de kerk.

Composities van telkens een zestal personen.

Op het schilderij wordt Christus de graflegging voorgesteld. Nicodemus en Jozef van Arimethea houden het dode lichaam van boven het graf. Maria achter de tombe kijkt toe, Johannes droogt zijn tranen. Op de voorgrond is Maria Magdalena geknield die de hand van Christus vasthoudt.

De schilderijen zijn in opdracht van de Fam. De Neree tot Babberich in 1955 gerestaureerd. Herdenkingssteen aangebracht met latijns opschrift en het wapen van de fam. De Neree, die de herinnering aan deze restauratie levend houdt. De gedenksteen hangt boven de toreningang.

Ramen in de Mariakerk


De 5 glas-in-lood ramen in de Mariabeuk zijn in 1932 door de bekende glazenier Joep Nicolas aangebracht. De ramen hebben als thema de 7 Smarten van Maria en verbeelden de 7 belangrijkste momenten uit het leven van Jezus.

Ze behoren tot de beste werken van Joep Nicolas.

Kenners zeggen dat de ramen dramatisch van kompositie zijn en aan de donkere kant, maar een warme stroom van licht en kleur zijn.

De vijf ramen beelden de Zeven Smarten van Maria uit.


Boven                                                                                           Beneden


1 de geboorte                                                                              opdracht in de tempel met Simeons

2 vlucht van Betlehem naar Egypte                                     kindermoord

3 de vermissing van de 12-jarige Jezus                                Jezus bij schriftgeleerden

4 Chr. draagt kruis                                                                     kruisiging op Golgotha

5 De kruisdood van Jezus, Maria Magdalena a.d. voet

en Maria en Johannes aan weerszijde.


Alle ramen zijn gesigneerd en gedateerd: J. Nicolas Roermond 1931.


Kapelaan van de parochie Oud-Zevenaar Frits van der Meer (later is hij hoogleraar kunstgeschiedenis en iconografie geworden) verzocht Joep Nicolas de ramen voor de kerk te maken. Hij had de carrière van de jonge kunstenaar nauwlettend gevolg. Het  bouwwerk was toen een juweel van gotiek, met uitzondering van de middeleeuwse  albasten Madonna, leeg, kaal en kil. Als jong kapelaan zag hij kans zijn enthousiasme voor Joep Nicolas over te brengen op de pastooor, een lieve oude man zonder enige artistieke pretenties en bijgenaamd “de zilveren vos”. De bedoeling was de beoogde ramen te onthullen bij diens 50-jarig priesterjubileum.

De  plaatselijke arts Casper van Mens stelde zich verantwoordelijk voor de geldinzameling, de bevolking was arm en voor één raam ontbrak het geld (1300 gulden) het vierde mysterie,  door van der Meer  “het raam der heidenen genoemd”. De kapelaan presteerde het namelijk om dit bedrag in een dag bijeen te brengen door op zijn fiets bij niet katholieke intellectuelen langs te gaan. Kaatje Hoefnagel, een dorpeling die haar hele leven had gewijd aan het verplegen van haar invalide moeder, vroeg of zij het raam van “het verloren kind”mocht schenken. Immers haar moeder had een leven lang in angst gezeten dat haar eigen kind, zijzelf, telkens als ze maar even uit huis ging, nooit meer terug zou komen.


Van der Meer, scherp karakterkenner en handschriftdeskundige, las in Joep’s cursieve schrift een intuÏtieve intelligentie, een bijkans manische zucht tot felle contrasten, een extroversie die een onderdrukte wanhoop leek te verbloemen.

Van der Meer noemde Joep:  “L’homme le moins bourgeois du monde”.

Raam 1: Toewijding van Jezus in de tempel


In het bovenste deel van het raam bestaat uit de aankondiging van de geboorte van de Messias door de aartsengel Gabriël aan de aardse bewoners.

Centraal in het raam de uitbeelding van de geboorte van Jezus in de stal in een liefdevolle en huislijke sfeer.

Onderaan staat Jozef met twee duiven, de profeet Simeon met Jezus in zijn armen die de 7 smarten

voorspelt. Maria staat er naast afgebeeld met 7 zwaarden door haar hart. Ze worden levensgroot afgebeeld.

Het raam kent enkele tegenstellingen: het lieflijke in het bovenste deel en het onheilspellende in het onderste deel.

Simeon met naast hem Jozef kijken plechtig naar boven, Maria kijkt met bedroefd naar beneden, bewust van het onheil dat haar wacht.

Deze tegenstellingen geven een dramatische spanning.

Raam 2: De vlucht naar Egypte


Bovenin wekt een engel Jozef uit de slaap en waarschuwt hem voor de dreigende kindermoord dat daaronder is op gruwelijke wijze is uitgebeeld.

Het onderste deel laat de aankomst in Egypte zien met een opgelucht Maria en Jozef. De Egyptische motieven verduidelijken de plaats van handeling.

Ook in dit raam een grote tegenstelling in de eerste twee uitgebeelde taferelen spreekt veel drama, terwijl het onderste gedeelte zien we rust en opluchting, ze zijn aan het gevaarontkomen.



Raam 3: De twaalfjarige Jezus in de tempel


Het bovendeel vertelt het verhaal van de reis naar de tempel om het paasfeest te vieren. De palmen en de vele mensen beelden het bezoeken tijdens het paasfeest uit als een feestelijk gebeuren.

Daaronder staat de 12-jarige Jezus vragen stellend afgebeeld tussen de schriftgeleerden die uitgebeeld zijn als hedendaagse geestelijken. Een 12-jarige gold in die tijd al als volwassene.

Sinds 1300 werden, na een publicatie door franciscaner monnik, bijbelse verhalen vaker vertaald naar eigentijdse voorstellingen.

In het benedendeel van het raam staan vertwijfeld Maria en Jozef omdat ze Jezus 3 dagen kwijt zijn.

In het 1e raam heeft Jozef duiven in een kooi en hier zitten ze vrij op de muur. Alsof hij ermee wil zeggen: Kinderen kun je een tijdje in een kooi houden, maar er komt een moment dat je ze vrij moet laten.

Het raam heeft eveneens weer een tegenstelling tussen beide taferelen.

“Het raam van het verloren kind” werd geschonken door Kaatje Hoefnagels.

Raam 4: Onderweg naar Golgotha


Dit raam dient in omgekeerde volgorde gezien te worden ten opzichte van de

vorige ramen.

Jezus gaat met het kruis op weg en ontmoet zijn moeder Maria die ondersteund wordt door volgelingen van Jezus. Deze gebeurtenis wordt in de geschiedenis gecombineerd met de 6e smart van Maria, de kruisafname die in deze reeks ramen niet is uitgebeeld. Door kunsthistorici wordt in dit moment een hernieuwing van de geboortepijn gezien, nu als moeder van de gehele mensheid.

Jezus ondergaat de tocht deemoedig, kijkt naar boven waar al 2 kruisen staan opgesteld met de 2 moordenaars onderweg. In de lucht vliegen al de zwarte roofvogels, wachtend op hun prooi.


“Het raam der heidenen” werd door de niet-katholieken inwoners geschonken.

Raam 5: De kruisiging


Het dramatische slot van de cyclus. De bloedrode zon staat als symbool van het lijden. De donkere achtergrond laat de duisternis beginnen en de bliksemstralen steken fel ertegen af. De hoge kruisen benadrukken het verhevene en de uitzonderlijk lange armen van Jezus duiden op de vergeving voor de beide

moordenaars.

Aan de voet van het kruis staan de apostel Johannes, Maria Magdalena en Maria de moeder van Jezus. Maria staat met gesloten ogen en beleeft de kruisiging met ingehouden emotie. Maria Magdalena laat haar emoties de vrije loop en Johannes kijkt vertwijfeld op naar Jezus.


In tegenstelling tot de andere ramen waar veel mensen de taferelen verlevendigden, blijft het in dit raam beperkt tot de 3 traditioneel aanwezigen.

Heel toepasselijk op deze voorstelling is het alom bekende Stabat Mater. Een uit de fransiscaanse traditie afkomstige hymne.

          Naast het kruis met wenende ogen

          Stond de moeder droefgebogen

          Waar haar zoon te lijden hing

          Ach, hoe haar door’t zuchtend harte

          Medelijdend met zijn smarte

          ’t zwaard van droefheid henenging.


In deze voorstelling is Nicolas echt de “schilder van het licht”.

De kruisafname en de graflegging zijn de 2 niet uitgebeelde smarten van Maria.

Nicolas en van der Meer hebben gekozen om naar een climax te werken en de cyclus te laten eindigen met de kruising.

Biechtstoel


In de Mariakerk is nog een biechtstoel te zien.

Piëta achter in de kerk.


Mariabeeld: Moeder van Smarten

Van het beeld achter in de kerk zijn geen gegevens bekend

Gewijd in dec 2005, Hersteld door Jan Keultjes

Lag opgeslagen in de kelder van de parochie.

Ingang naar de toren

Dakconstructie van het middenschip

Klokken


De Martinuskerk bezit 3 luidklokken.

In december 1942 enkele dagen voor kerstmis werden in de gehele Liemers de klokken uit de toren gehaald om als grondstof te dienen voor de Duitse wapenindustrie. “Klokken uit de toren, de oorlog is verloren”, zeiden de mensen.

In 1947 werd de Martinusklok in de toren gehangen en weegt 1043 kg met een diameter van 117 cm.

In 1992 werden twee nieuwe klokken gehangen.

De Mariaklok oftewel de dodenklok (1250 kg) en heeft een diame¬ter van 127 cm.,

de Franciscusklok weegt 540 kg bij een diameter van 95 cm.

De drie klokken worden geluid :

- de kleinste klok "Franciscus" bij doopvieringen

- de middelste "Martinus"  voor de zaterdagavond en doordeweekse vieringen

- de zwaarste klok "Maria" na het overlijden van een parochiaan om 18.00 uur, avondwake, voor de begrafenis en bij het uitdragen van overledene. Vroeger kon men ook horen , of het een man, vrouw of kind gold.”drie voor de man, twee voor de vrouw en één voor het kind” daarna luidde men een tijdje.

Alle drie tezamen voor en na de weekendvieringen, bij huwelijksplechtigheden en andere feestelijke gelegenheden.

Doolhof


Een unicum voor Nederland.

In het voorportaal van de Sint-Martinuskerk, bij de toreningang, ligt een bijzonder vloermozaïek. Als we een dwaalelement op de vloer van een kerk tegenkomen is dat meestal een labyrint, in dit geval hebben we echter te maken met een vierkant doolhof van witte en zwarte tegeltjes. Merkwaardig is dat de doolhof geen ingang lijkt te hebben.

Ook is niet direct duidelijk wat paden en muren en zijn. Maker en jaar van aanleg van het doolhof zijn onbekend.

Over de oorsprong en betekenis bestaan veel verklaringen. In de Christelijke iconografie symboliseert het de moeilijke weg om tot het geloof te komen.

In het dagelijks spraakgebruik hebben we het over doolhoven en labyrinten als ware het voor elkaar inwisselbare woorden. Toch hebben beide begrippen een net iets andere achtergrond en betekenis:

- Doolhof, in een doolhof splitsen de paden zich, en zijn er ook vaak doodlopende wegen. Een doolhof is ook een onoverzichtelijke weg van een begin naar een einddoel, maar bij het volgen van deze weg moeten keuzes gemaakt worden.

- Labyrint, een naar een doel slingerend pad, het lopen of volgen van een labyrint heeft meestal een symbolische en voor sommige mensen zelfs een spirituele functie.

Het heeft een onweerstaanbare aantrekkingskracht op mensen.

Een belangrijk element is de spanning:

- Hoe kom ik naar het midden?

- Wat is er in het midden?

- Hoe kom ik er weer uit?



Het is dan ook niet verwonderlijk dat doolhoven en labyrinten al heel oud zijn. De oudst bekende labyrinten werden al 4.000 jaar geleden in steen gekerfd. De oudst bekende doolhoven zijn zo'n 500 jaar oud. Een bekende oude labyrint-mythe is natuurlijk die van Theseus, die met behulp van de draad van Ariadne in staat was uit het labyrint van de Minotaurus op Kreta te ontsnappen.

Over de achtergrond van het labyrint bestaan verschillende verklaringen:

- Men legde een verband tussen labyrint en de onderwereld, het dodenrijk.

- Legendarische labyrint van Daedelus in het paleis van Koning Minos  op Kreta.

(zesde eeuw voor Chr.). Waardoor er een relatie is met de architecten van de middeleeuwen.

- Germaanse lentecultus en de zgn trojaburchten in de periode 9de/12de eeuw.

- De Christelijke betekenis, het symboliseert de moeilijke weg om tot het geloof te komen. Je kiest voor een weg en verwerpt de andere. Voortdurend worden je geweten, je intuïtie, je geloof en je trouw op de proef gesteld.

- Het aansporen tot meditatie over het doel dat zeker bereikt zal worden.( dit zijn labyrinten die de enige juiste weg aangeven zonder keuze mogelijkheden)

- De wendingen naar binnen staan voor het leven tot de dood, de wendingen naar buiten symboliseren de wedergeboorte.

Grafstenen in de kerk


De 2 gedenkstenen hebben oorspronkelijk in de vloer gelegen en zijn sterk afgesleten. De kleine grafsteen is vermoedelijk van een pastoorsgraf rond 1600.


De grote laatgotische grafzerk van Naamse steen (Afm. 250x125 cm) met in elke hoek een wapenschild is van begin 16e eeuw en behoorde bij het graf van Gertruud van Camphuisen, echtgenote van Gysbert van Heerde. Ze stierf in 1553.


In een rechthoekig veld wapen met drie rechter schuinbalken ( Camphuysen), waarboven een helm en vluchten. In de hoeken vierpassen met kwartieren:

1 -  linkerschuin balk (Heerde)

2 -  drie schuinbalken (Camphuysen)

3 -  keper (Reygers)

3 -  kruis (Hovelyck)


Versleten randtekst: Int jaer onns (heren) rust gertruut va Caphuse, het is een grafzerk van geertruid van Camphuysen, dochter van Claes van Camphuysen en Aleyd van der Hovelick. Zij was getrouwd met Gysbert vanHeerde Willemsz, die in 1533 overleed en is ook in deze kerk is begraven. Zij woonden in het huis Camphuysen, dat in 1812 door verkoop overging in de familie de Neree tot Babberich.

Wijwaterbakken


Ter hoogte van de boog tussen de toren en het middenschip bevinden zich links en rechts twee nagenoeg identieke hardstenen middeleeuwse vijzels, die thans als wijwaterbakken dienst doen.

Drieluik


Het drieluik tegen de torenwand is in 1997 geschonken door de nabestaanden van de heer Bertels, veearts uit Zevenaar. Van het drieluik zijn geen verdere gegevens bekend.

Hongerdoek


Het wandkleed tegen de toren is een zogenaamd hongerdoek met taferelen uit het leven van Sint Martinus. Het is gemaakt door de dames van der Velden uit Pannerden en in 1989 geschonken ter gelegenheid van het 50-jarig priesterfeest van pastoor Scholten.

Houten missiekruis


Het grote houten missiekruis (220 cm) is neogotiek en van gepolychromeerd hout. Het is op 1 juni 1886, als aandenken aangeboden door de paters redemptoristen. Hun tiendaagse missie werd in deze kerk gehouden

Christus corpus (105 cm) hangt aan het kruis, het hoofd is naar links gebogen, de voeten zijn over elkaar gespijkerd. De lendendoek is aan de rechterheup geknoopt. De kruisbalken eindigen in drie voluten. Aan de onderzijde van de verticale balk: Aandenken aan de H. Missie 1 juni 1886.

Wijwaterkruik

Herdenkingsplaat

Kerststal


Deze kerststal is van 1911 en in de negentiger jaren zijn de beelden gerestaureerd door Ceciel Berns. Ook is er een nieuwe stal gemaakt.

Het woord Kerstmis is afgeleid van Kerst=Christus, kerstenen, wat christelijk maken betekent en mis=eucaristieviering oftewel Christelijke feestviering.

In de westerse kerken en katholieken huisgezinnen is het gebruikelijk in de kersttijd een kerststal neer te zetten.

De kerstgroep heeft tot doel op duidelijk, begrijpelijke wijze de geboorte, de menswording van God voor te stellen en wel zo, dat men de indruk heeft erbij tegenwoordig te zijn en tot meditatie over het gebeuren, tot en geestelijke pelgrimstocht, wordt geïnspireerd.

Bij de opstelling staat al het goede rechts (men geeft elkaar ook altijd de rechterhand) en minder goede links, gezien met de rug naar de kerstkribbe

Jezus werd een wikkelkind, Jozef en Maria knielen naast het kind. Jozef is meestal een oudere man, die wat hulpeloos staat te kijken met een kaars of een lantaarn. Maria kijkt vol tederheid, het menselijk gevoel komt sterk tot uitdrukking. In onze streken hebben de herders geen namen en we weten ook niet hoeveel er waren, ze staan meestal links samen met de schapen. De os kijkt naar het kind en staat rechts en de ezel kijkt naar de kribbe en staat links van het Kindje. Er zijn engelen, ze nemen nu actief deel aan het gebeuren, ze bespelen fluit en viool. En een knikengel zorgt ervoor dat bij het deponeren van muntstuk in de gleuf, de engel een knikbeweging maakt. In het Westen kennen we drie wijzen (staan rechts) in het Oosten vier of acht. De drie wijzen symboliseerden de toenmalige bekende werelddelen. De namen zijn Casper, Melchior en Balthasar en de hadden goud, wierook en mirre bij zich.

Buiten om de kerk

Ligging.

Oud-Zevenaar is een parel aan de ketting van Roomse steden en dorpen langs de oude Rijn. Aan de hand van gevonden scherven is vastgesteld dat er omstreeks de achtste eeuw ook in de buurt van de huidige kerk bewoning is ontstaan. Zelfs is het waarschijnlijk dat daar het centrum van bewoning was. Oorspronkelijk moet de kerk midden in het dorp hebben gestaan. Het opdringende water zorgde ervoor dat zij uiteindelijk nog net binnendijks kwam te liggen. De omgeving bestond uit een moerassige veen bossen en broeklanden waar nauwelijks iets eetbaars wilde groeien. De eerste bewoners bouwden hun met leem gedicht en met stro afgedekte hutkommen. Zij visten, jaagden op wild en deden al aan landbouw. De St. Martinuskerk staat op een bijzondere plek. De kerk heeft mogelijk lager gestaan, maar door ophogingen om de kerk, en dus ook noodzakelijk in de kerk, is de vloer verhoogd. De nissen in het priesterkoor en de diepliggende fundamenten van de vroegere bijgebouwen en de brede banden om de pilaren zijn daar aanwijzingen voor.

De kerk ligt in een bocht van de dijk op een deels afgegraven terp en ligt veel hoger dan het omliggende land. De kerk heeft een grotendeels ingebouwde toren van 3 geledingen met boven de dubbele toegangsdeur een hoog spitsboograam. Op de 2e verdieping hangen 3 luidklokken. De toren wordt gedekt door een achtkantige ingesnoerde spits.

De onderste 2 geledingen zijn deels opgebouwd uit tufsteen dat afkomstig is uit de Romaanse kerk dat tot de 14e eeuw hier heeft gestaan.

Tufsteen

Bij de laatste restauratie kwam men bij het uitbreken van het buitenmuurwerk kloostermoppen tegen.

Een kloostermop is een middeleeuwse baksteen van 27,28 cm lang, ca 14 cm breed en circa 6,5 cm hoog. De maten zijn globaal omdat het handvorm stenen zijn. Dus een stuk zwaarder en minder hanteerbaar dan onze huidige waaltjes. Deze stenen werden gemaakt door monniken, ze hebben diverse afmetingen doordat ze uit verschillende streken kwamen. Vervangend materiaal is tufsteen (verhit vulkanisch as), deze treft men aan in de toren. Tufsteen is in ons land niet te vinden, deze tufsteen komt uit de Eifel. Het is een lichte steen (dus ook goed te vervoeren) die erg poreus is, in de steen treft men bimskorrel aan, deze korrel verdwijnt na verloop van tijd. Zodat er veel gaatjes in de steen zitten.

In 2007 is de toren nog gerestaureerd, ze hebben een laagje van de tufsteen afgehakt en de voegen opnieuw aangebracht (terughakken).

Toren

Op St Vitusdag 15 juni in het jaar 1582 werden door de ruwe krijgers van de graven van Bergh de rijzige spits van de toren in brand gestoken. Onder het woeden van het vuur stortte de toren tussen de daken van de Martinus- en Mariakerk. In 1585 werd de gehavende toren hersteld, niet in de fiere gestalte van vroeger, maar in den droeven dwergvorm, die ontstaat uit kommer en kwel. De toren is  voorzien van een korte achtkantige spits. Oftewel  een zware nederrijnse  toren.

De overhoekse steunberen (contreforten) bewijzen dat de toren in het eind van de 15de eeuw is gebouwd.

Een tekening van de oude toren

Weerhaan en bol

De windhaan of weerhaan is een windwijzer in de vorm van een haan. Sommige torenhanen zitten op een windkruis en/of op een metalen bol. Ze worden vooral geplaatst op de spits van kerktorens. Ze geven de richting van de wind aan. Deze dienden als afweermiddel, in de middeleeuwen dacht men dat zijn gekraai boze geesten kon verdrijven. Ook zou het zorgen voor warmte en vruchtbaarheid. De haan staat voor aanzien als toonbeeld van zorg en waakzaamheid. Als verkondiger van de nieuwe dag, kraait hij reeds bij zonsopgang en houdt de hele dag orde. Hij kraait bij vreemd bezoek en alle gevaar, hij beschermt allen die onder zijn hoede leven. Hij staat ook symbool als van de overwinning van het licht op de duisternis, ook als symbool voor Christus.

De haan werd een attribuut van de apostel Petrus en verwijst naar diens verloochening van Jezus en zijn berouw daarover (Markus 14:72). Onder de haan zit een koperen bol. Deze werd vroeger veel aangebracht om daar, in twee loden kokers , de bouwtekeningen van de kerk te bewaren. In geval van brand zal de toren omvallen en dan rolt de ronde bol uit het vuur en blijven de tekeningen behouden.

De glansbal is verwant aan de kerstbal.

Rijkmonument.


De Martinuskerk is een rijksmonument dat wil zeggen een onroerend goed dat om haar cultuurhistorische waarde door de rijksoverheid is aangewezen om te worden beschermd en behouden te blijven.

Kerkdeur hoofdingang


De dubbele kerkdeur is gemaakt van inlands eikenhout en het hang en sluitwerk is authentiek.

Merksteen

In de toren is een steen gemetseld waarop de hoogste waterstand in de 19e eeuw (15,525 mtr

boven NAP) staat aangegeven. Deze steen herinnert ons aan de watersnoodramp van januari 1809 toen op verschillende plaatsen de dijk doorbrak. De streep in de steen geeft de waterhoogte van die dagen aan. Anderen beweren dat dit alleen maar de hoogte aangeeft van 15.525 boven N.A.P.

Andreaskruis

In de buitenmuur aan de noordzijde is een Andreaskruis ingemetseld, iets wat in

deze streek in andere middeleeuwse gebouwen soms ook te zien bijvoorbeeld in

Huis Sevenaer.


Runentekens zijn afkomstig van de Etrusken en zouden ontstaan zijn rond 250 à150 v. Chr. Aangezien ze ergens werden in gekrast of gesneden, of met stokjes werden gevormd zijn al de tekens een combinatie van rechte lijntjes. Ze werden gebruikt als alfabet maar ook als ornament of magische boodschap.

Een teken had dan ook veel meerbetekenis dan enkel maar een letter. In de loop der tijden wordt het teken letterlijk 'vermenigvuldiging'(vruchtbaarheid). "Bede tot een goede opbrengst"? Het christelijke St-Andrieskruisheeft een vergelijkbare betekenis.


Een verklaring kan zijn voor de oude (Germaanse) betekenis van het kruis:

•Het woord Maal (mallus,malus) zou verband houden met rechtsgeding, met de justitie zogezegd. Bij de Germaanse stammen die in onze streken woonden, de Friezen, de Saksen en de Franken, kende men de dingplaats, de plek waar recht werd gesproken.

•Malen betekent draaien. Een maalberg was in de Germaanse tijd een heilige plek: een 'draaiberg' oftewel trojaburcht. Dit was een plek waar kontakt gezocht werd met de goddelijke wereld, de plek van initiaties en speciale rituelen.

•Na de invoering van het christendom werd de specifieke betekenis van het symbool losgelaten. In de loop de eeuwen bleef enkel een onheil werend aspect nog over.

•Het teken is ook in de christelijke traditie bekend als Andreaskruis, herinnerend aan de apostel die volgens de overlevering op een dergelijk kruis de martelaarsdood zou zijn gestorven. Andreas is patroonheilige van de metselaars.

•Soms zie je verklaringen dat het een vruchtbaarheidsteken zou zijn vanwege die link met vermenigvuldigen.


Het maalkruis heeft mogelijk een betekenis gehad als teken dat er recht gesproken werd. Kerken en torens werden bij voorkeur gebruikt als plek om recht te spreken. En de boeven werden onder de toren in het cachot gestopt.

Kortom, een teken met tot zover al een vierledige betekenis: boze geesten en ziekten op afstand houden, plaats van rechtspraak, een plek waar contact gezocht werd met de goddelijke wereld, eerbetoon aan St Andreas en/of een vruchtbaarheidsteken.


Het maalkruis zien we op kerkmuren, op topgevels of in bovenlichten, maar ook de smid was er op zijn manier gevoelig voor en bracht het aan op muurankers.

Grafsteen


Naast de zij-ingang van de kerk is in de steunbeer de grafsteen ingemetseld van de Zevenaarse pastoor Pelgrom, fondeur van de Pelgromstichting.

Doopkapel

Aan de westkant naast de toren stond tot 1969 een neogotische doopkapel uit 1920. Deze werd afgebroken omdat het afbreuk deed aan de originele bouwstijl van de kerk. De contouren hiervan zijn nog goed zichtbaar.

Vroeger werden de doopkapellen buiten de kerk gebouwd omdat de kinderen niet de kerk in mochten daar ze nog niet gedoopt waren.

In de gehele buitenmuur zijn op meerdere plekken metselwerkafwijkingen terug te vinden; sporen van de vele verbouwingen en herstel door de eeuwen heen.

’t Olde Processiepad


De huidige dijkuitstulping is in 1854 verhoogd en enigszins aangepast. In november 1997 is het verharde voetpad op de dijk officieel met de naam ’t Olde Processiepad in gebruik genomen. Halverwege het processiepad is een tableau geplaatst met daarop de zichtpunten in de omgeving waaronder ook de plek van de zogenaamde Mauritsgaten, restanten van verdedigingswerken uit de Tachtigjarige Oorlog.


Grafkelder


Aan de zuidkant van de kerk bevindt zich de grafkelder van de familie de Nerée tot

Babberich. Op de kelder is een hardstenen zuil geplaatst waarop een ijzeren kruis en

aan de voorzijde voorzien van wit marmeren wapenschilden (meerminman met sabel) van de Nerée en Tellegen. Het monument is omgeven door een giet – en smeedijzeren hekwerk.

Toen de familie De Nerée de havezathe Camphuisen met al zijn rechten kocht, behoorde daaronder ook een gestoelte en grafkelder in de kerk en op het kerkhof. De grafkelder was wellicht een overblijfsel van de oude grafkelder van het geslcht Van heerde tot Camphuijsen. De tombe werd omstreeks 1846 verbouwd en vernieuwd. De grafkelder in de kerk mocht niet meer voor bijzetting gebruikt worden.


Achter dit grafmonument staat een treur es die kort na de ingebruikname van de kelder is geplant. De monumentale boom is de oudste treur es van Nederland.

Historische zerken

Naast de grafkelder liggen op een betonnen ondergrond een aantal historische

zerken in 2005 verzameld en geplaatst door de werkgroep M’Ooy Oud-Zevenaar.

Een bijzonder grafteken valt direct op. Het grafteken in gietijzer van Albert W. Brands, bestaande uit aan de bovenzijde rijk met floriale motieven gedetailleerd latijns kruis waarop aan de onderzijde twee afzonderlijke objecten gemonteerd zijn. Op de kruising van de armen van het kruis bevinden zich de gietijzeren Letters “INRI”. Aan de onderzijde van het kruis bevindt zich een van een omlijsting voorzien in halfrelief uitgevoerde Maria- figuur, die vermoedelijk Onze Lieve Vrouw ter Nood Gods voorstelt.

Begraafplaats

Het kerkhof rond de kerk van Oud-Zevenaar was vroeger een grasvlakte, waar bijna geen graf te vinden was. Immers die daar begraven werd, was arm en kon zich geen stenen monument permitteren. Een eenvoudig houten kruisje of een plank met alleen de naam gaf aan waar de dierbare dode ter aarde was besteld. Veelal kreeg de overledene dat nog niet. Door het spoedig vergaan van het hout ontstond er na korte tijd weer een lege grasvlakte.

Van oudsher werd men begraven in de kerk. Dit gebeurde al in de elfde eeuw tot halverwege de negentiende eeuw. De rangorde was; de adel bij het koor, de boeren in het midden, al diegene die hun werkzaamheden bij de kerk hadden lagen onder het orgel, de arbeiders lagen buiten op het kerkhof.

In 1682 kreeg schoolmeester en koster “Swarte Jan” opdracht van het stadsbestuur van Zevenaar om publiekelijk om te roepen “dat de jongens van de kerckhoff sollen blieven”. De schoolkinderen hadden namelijk geen andere speelplaats ter beschikking dan het kerkhof.  De kinderen vernielden de graven en deden balspelen met rondslingerende schedels.

Op 22 aug. 1906 was het kerkbestuur voornemens het bouwen van een lijkenhuisje, waar voorheen de boerderij van de fam. Heijneman stond.

De begraafplaats is omheind door een beukhaag. De begraafplaats is aangelegd omstreeks 1917. Tot die tijd en zelfs nog na de tweede wereldoorlog werden overledenen in Oud Zevenaar bij de kerk begraven. Alle aanwezige graven dateren van na 1940. Bijzondere elementen vormen het baarhuisje en het bakstenen toegangshek. Beide zijn late uitingen van de neogotiek. In het baarhuisje komt dit tot uitdrukking in de toepassing van spitsboogvensters.

Toegangspoort.

De neogotieke toegangspoort met smeedijzeren hek vormt de ingang tot de begraafplaats en is een

gemeentelijk monument evenals het baarhuisje aan de andere zijde van het pad.

Het hek bestaande uit in baksteen opgetrokken hekpijlers waartussen een dubbelsmeedijzer draaihek. De hoekpijlers zijn voorzien van een door afgeschuinde profielstenen afgesloten basement op een vierkante plattegrond waarbij de hoeken inspringen. De hierboven bevindende gemetselde vierkante kolom is eveneens voorzien van inspringende hoeken, de afsluitende strekkenlaag heeft de vorm van een vierkant. Hierop is een fraaie zandstenen opzetstuk geplaatst met aan alle vier zijden een door een rondstaaf profiel afgesloten puntgeveltje met een driepas motief.

De hekken zijn rijk gedecodeerd met gotische florale motieven en vierpas motieven.

Het linker hek wordt bekroond door een kruis.

Baarhuisje.


Het baarhuisje heeft een zadeldak. De voorgevel is voorzien van een middenrisaliet met een tuitgevel. De voorgevel is symmetrisch en heeft in de risaliet een door een spitsboog afgesloten nis die een kapelletje vormt.  Tegen de achterwand is een kruisbeeld met Christus bevestigd en beelden van Jozef en Maria. De oorspronkelijk grotere beelden (Maria en Johannes) staan nu op het hoofdaltaar van de Sint Martinuskerk.

De muuropening is voorzien van een ijzeren hek

Het dak is belegd met rode verbeterde Hollandse pannen.

De gevels zijn opgetrokken in baksteen, gemetseld in kruisverband. De zijgevels worden afgesloten door een tuitgevel met schouderstukken en een ezelsrug.


De rechter zijgevel heeft op de begane grond twee spitboogvensters waarvan de boogvelden ingevuld zijn met metselwerk. In de geveltoppen bevinden zich drie door spaarnissen waarvan de middelste het hoogste en breedste is uitgevoerd. De nissen worden ieder recht afgesloten door een motief dat gebaseerd is op een driepas. De nissen zijn aan de onderzijde verbonden door een bloktandlijst. De Linkerzijde heeft op de begane grond een spitsboog afgesloten toegang. Het boogveld is ingevuld met metselwerk waarin een kruismotief is opgenomen. De toegang wordt afgesloten met een segment boogje. De deur is voorzien van twee neogotische smeedijzeren hengsels.

Op zondag 30 oktober 1994 werd door Pastoor van Doorn de urnenmuur ingezegend.

Het kerkhof heeft nog een rustiek en dorps karakter.

De begraafplaats is elke dag te bezoeken tussen zonsopgang en zonsondergang.

De begraafplaats heeft mogelijkheden om urnen te laten plaatsen in de urnenmuur of in een urnengraf.

Nabij het baarhuisje ligt een strooiveld voor asverstrooiing.

De begraafplaats wordt onderhouden door de onderhoudsgroep van de geloofsgemeenschap.

Elke woensdagmiddag zijn een 12-tal vrijwilligers werkzaam in en om de kerk, het geloofsgemeenschapcentrum en de begraafplaats.

De haag en het grasveld wordt door het plaatselijke hoveniersbedrijf onderhouden.

Voor gegevens omtrent de personen die begraven zijn op het kerkhof te Oud-Zevenaar zijn te vinden op:

www.graftombe.nl/category/1992/oud_zevenaar‎


In Oud-Zevenaar werden de overledenen in de 17e en 18e eeuw begraven:

1: ofwel in de kerk; 

2: ofwel in het verwoeste gedeelte van het  kerkgebouw;

3: ofwel buiten op het kerkplein.


Klopjens.

Klopjens of devota zijn namen die in de 17e en 18e eeuw herhaaldelijk inde boeken voorkomen. Met deze namen werd een vrome dame aangeduid, die zich geheel aan de dienst van de kerk en godsdienst wijdde. Zij werden klopjens genoemd omdat zij in tijd van vervolging de priesters en gelovigen bij gevaar waarschuwden en gelovigen voor de dienst opriepen.

MARTINUS

Omstreeks 11 november 397 na Christus overlijdt op ongeveer tachtigjarige leeftijd de later heilig verklaarde monnik Martinus.

Hij is de grondlegger geweest van een klooster dat de bakermat is geworden van het monnikenwezen in West-Europa.

In de loop der tijd is Martinus (Maarten) onder meer door zijn enorme onbaatzuchtigheid uitgegroeid tot een van de meest populaire heiligen in de katholieke kerk. In onder meer Oud-Zevenaar is de katholieke kerk toegewijd aan de heilige Martinus. Opvallend is dat ook veel andere kerken en/of parochies in de Liemers de naam St. Maarten of St. Martinus dragen, namelijk die van Angerlo, Lathum, Giesbeek, Elten, Didam, Doesburg, Herwen en Pannerden.

Oftewel Sint Maarten werd in 316 geboren in de plaats Sabaria, in Hongarije. Zijn vader was officier in het leger van de Romeinen. Op zijn vijftiende nam hij dienst bij het Romeinse leger in Gallie. En op zijn achttiende jaar liet hij zich dopen en werd monnik.

Op een winterdag kwam de soldaat voor de poorten van de stad Amiens een halfnaakte bedelaar tegen. Martinus sneed toen zijn soldatenmantel met zijn zwaard doormidden en gaf de helft aan de bedelaar. In 372 werd hij bisschop van Tours. St. Martinus ook wel genoemd Martinus van Tours, draagt de titel “De apostel van Frankrijk”.

Martinus was tegen geweld en wilde ook de heidenen met zachtheid tegemoet treden.

Hij werd vergeleken met de barmhartige Samaritaan. Het door hem gestichte klooster Marmoutiers was een centrum van strijd tegen het arianisme en het heidendom.

Op 8 november 397 stierf hij aan een hartaanval. Hij is de eerste heilige die niet als martelaar stierf. Hij ligt in zijn sarcofaag in de basiliek van Tours in Frankrijk.

Op 11 november is het feest van de heilige Martinus, hoewel dit niet zijn sterfdag is. Meestal gedenken we de heiligen op de sterfdag, want dit is de geboortedag in de hemel. Toch is 11 november zijn dag geworden. Dat komt omdat vroeger dit de dag was van het nieuwjaar van de boeren. Op die dag gingen de boeren in de Liemers de pacht voor het volgend jaar betalen. Het feest van de God Mars ligt waarschijnlijk ten grondslag aan oud Martinusfeest.

Martinus betekent n.l. " man van Mars".

Bij de Romeinen was 11 november het begin van het inluiden van het nieuwe licht.

Deze oude lichtfeesten kregen later een christelijke inhoud kinderen zingen liedjes aan de deuren met hun lampionnen in de hoop op snoep.


Sint Maarten bisschop, toen van alle landen

‘s avonds met een lichtje lopen, is voor ons geen schande.

Hier woont wel een rijk man, die ons wel wat geven kan

God zal hem lonen met honderdduizend kronen

Met honderdduizend lichtjes aan daar komt sint maarten aan.


Jaarlijks houdt men rond de feestdag, 11 november, een lampionnen optocht door het dorp en ontsteek men een St. Maartensvuur.

Voor de kinderen is Sint Maarten super spannend.

Want wat is niet leuker dan ‘s avonds laat met je vriendje of je vriendinnetje  mee te lopen in de optocht. In de ene hand een brandende lampion en in de andere hand een tas, die na afloop goed gevuld is met snoep. De fakkels van vroeger zijn vervangen door lampions. Waarmee symbolisch de boze geesten werden verjaagd. Sommige creatieve ouders maken zelf lantarentjes van uitgeholde suikerbieten, kalebassen of koolrapen met een waxinelichtje erin.

Er zijn veel kerken naar hem genoemd. Groningen, Utrecht, in deze streek al meer dan 16 inclusief  de steden lang de Rijn in Duitsland.

Er zijn ook dorpen naar hen genoemd:

Sint Maarten, Maartensdijk,St. Maarten is de patroon van bekeerde dronkaards, van herders en van vee.

Sint Maarten's optocht

Op de dag voor Sint Maarten kunnen de kinderen  een mooie lampion maken door  een suikerbiet of een pompoen uit te hollen of ze kunnen een lampion maken van een fles.

11 november is de dag, dat mijn lichtje, dat mijn lichtje,

11 november is de dag, dat mijn lichtje branden mag.

Dit bekende liedje wordt op de dag van Sint Maarten nog steeds door kinderen gezongen. Ook door de kinderen in Oud Zevenaar, waar de kerk aan de heilige Martinus is toegewijd. Ook de harmonie van Oud- Zevenaar draagt de naam van Sint Martinus.

In de Martinuskerk begint rond een uur of zeven een korte gezinsviering om de naamdag te vieren. De pastor praat met veel enthousiasme over de heilige Martinus. Zo betrekt hij de kinderen op een leuke manier bij het roemrijke verhaal over Martinus en zijn mantel.

Na het zingen van het Sint Maarten lied gaan de kinderen naar buiten. De ouders steken het kaarsje aan dat in de, vaak zelf geknutselde, kleurrijke lampion wordt vastgezet. De optocht vertrekt vanaf het kerkplein met muziek.  Voordat de stoet in het donker over de Oud -Zevenaarsedijk trekt, verschijnt een paard met daarop de heilige Martinus met daarnaast in een vodden geklede bedelaar, vaak een kind uit de Oud-Zevenaarse gemeenschap. De stoet geeft een mooi, feeëriek beeld met op de achtergrond de zwak verlichte toren van de Martinuskerk. Alleen het licht van de lampionnen is nog zichtbaar. De kinderen lopen vanaf het  Kerkplein, Kerkweg,Oud-Zevenaarsedijk, Oud-Zevenaarseweg, Martinusweg, Leemkuylweg, Hofweg, naar het grasveld  van het Park De Tichelkamp, waar het Sint Maartensvuur wordt aangestoken. Hier worden onder andere houten pallets verbrand. Onder het genot van  warme chocolademelk, staat iedereen bij het vuur te kijken. De pastor vertelt nog een verhaal over Martinus, want de heilige hoort bij Oud-Zevenaar, dat is al jaren zo. Hierna is er voor iedereen nog een versnapering.

Joep Nicolas

Joep Nicolas was een Nederlandse glazenier, kunstschilder en tekenaar, geboren  op 6 oktober 1897 in Roermond en overleden op 25 juli 1972 in Steyl.

Josephus Antonius Hubertus Franciscus (Joep) Nicolas wordt beschouwd als een vernieuwer in de glasschilderkunst in de 20e eeuw.

Het werk van Joep Nicolas is expressief, expressionistisch en kleurrijk. De christelijke symboliek speelt een grote rol. Hij beschouwde het lood niet alleen als functioneel, maar ook als onderdeel van de compositie; zo trok hij de loodlijnen soms dwars door personen heen. Sommige van zijn werken zijn abstract. In Amerika wordt zijn werk zakelijker en minder romantisch.

Nicolas bedacht ook enkele technische vernieuwingen in de glasschilderkunst, onder andere het vermurail (muurglasschildering), grisaille (glasschilderverf) en het gebruik van opaline (dun melkglas).

Biografie

Nicolas werd geboren in de Lindanusstraat in de bisschopsstad Roermond als zoon van glazenier Carolus Antonius Hubertus Nicolas en Henriette Marie Josephina Hortense Schieffer. Het vak leerde hij in het goedlopende atelier voor gebrandschilderd glas van zijn vader Charles Nicolas, dat in 1855 opgericht was door zijn opa Frans Nicolas. De 3 glas-in-lood ramen in het priesterkoor zijn

omstreeks 1900 gemaakt door atelier F. Nicolas (Frans Nicolas en zonen Charles en Francois) en stellen 3 levensfases van Sint Martinus voor: doop (links), bouwer van een klooster (midden) en bedelaar (rechts).

Samen met zijn twee broers en zuster kende Joep een onbezorgde jeugd, waarop het rooms-katholicisme een zwaar stempel drukte. Joep kreeg een degelijke, burgerlijke opvoeding, met Frans als omgangstaal en een gymnasiumopleiding aan het plaatselijke Bisschoppelijk College.

In de zomer van 1922 - toen Nicolas tijdens een militair verlof zijn ouders in Roermond bezocht - ontmoette hij op een tennisbaan de Belgische Suzanne Nys, een telg uit een textielhandelaarsfamilie, op wie hij verliefd werd. Bij toeval hoorde de opnieuw opgeroepen reserve-sergeant van Amsterdamse vrienden over het bestaan van de Vigeliusprijs. Nicolas waagde een kansje en toog in de kazerne hard aan het werk met een doek, getiteld: De droefenis om den dood van Christus. Tegen ieders verwachting in viel hij in 1923 met dit schilderij in de prijzen.

In 1924 trouwde hij met de Belgische beeldhouwster Suzanne Nys (Suzanna Melania Charlotta Maria Nys (1902-1984)) waarna het paar in Groet (Noord-Holland) ging wonen. Uit dit huwelijk werden in 1925 en 1928 de dochters Claire en Sylvia geboren.


Nicolas maakte vooral naam met zijn tientallen kerkramen, zoals die in de Sint Martinuskerk in Oud Zevenaar (1931), het 'Laatste Oordeel' in de Grote Kerk van Hulst (1934), een groot roosvenster voor de Belgische abdij van Orval (1936) en 'Opstanding' in de kerk van het West-Brabantse Wouw (1937). Daarnaast verfraaide Nicolas ook heel wat openbare gebouwen met kleurrijke vensters. De glazenier diende zelf gelovig te zijn en over voldoende bijbelse en iconografische kennis te beschikken. In Wij glazeniers (1938) hield Nicolas een warm pleidooi voor geïnspireerd werk en vakbeheersing. Hij introduceerde ook enige vernieuwingen: de vondst en toepassing van opaline (: dun melkglas, waarop hij in 1937 octrooi nam), het gebruik van grisaille (: glasschilderverf) en de techniek van het meerkleurige vermurail (: muurglasschildering). Na de Tweede Wereldoorlog wist hij de arbeidsintensieve vervaardiging van het glas-in-lood door nieuwe technieken te bekorten.

In 1939 vertrok Nicolas naar de Verenigde Staten, hij werd er Amerikaan en werkte voor het atelier van Harold Rambuseh. Het verblijf van Nicolas in de Verenigde Staten bleek geen onverdeeld succes. Vooral in het begin was het sappelen. Suzanne moest beeldhouwlessen geven, en er werd financieel bijgesprongen. Negentien jaar lang woonde Nicolas in de Verenigde Staten, een verblijf dat hij als 'een retraite in de woestijn' zou omschrijven. Toen allengs de druk om terug te keren naar zijn verwoeste vaderland groter werd, sloeg bij hem de twijfel toe. Nicolas zou nog tot en met juni 1958 pendelen tussen zijn huis in Islip op Long Island en Nederland, vooraleer hij en Suzanne zich in 1958 opnieuw vestigden in Limburg, en wel in Steyl in de buurt van Venlo. Nadat hij in 1953 de Amerikaanse nationaliteit had verworven, herkreeg hij bij wet van 30-3-1961 (Staatsblad nr. 104) de Nederlandse nationaliteit.

De wederopbouw in Nederland samen met zijn opdrachten in de Verenigde Staten bezorgde Nicolas opnieuw veel werk. In 1955 kreeg hij de opdracht om de ramen voor de Oude Kerk in Delft te maken, waaraan hij in 1958 begon. Deze ramen (het laatste werd geplaatst in 1972) zijn zijn bekendste werk. In 1956 maakte hij een eerste 'Bevrijdingsraam'. Nadat hij de Verenigde Staten verruild had voor Nederland kon hij zich vanaf 1958 aan zijn magnum opus te wijden. Op 13 juni 1964 kon hij de laatste van de 24 ramen officieel overdragen aan de kerkvoogd.

In 1963 bij de voltooiing van zijn Delftse ramen, werd de altijd onvermoeibare Nicolas getroffen door een lichte beroerte. Als stevige whiskydrinker moest hij de fles voortaan laten staan en diende hij het kalmer aan te doen. In 1964 schreef hij zijn dochter Claire: 'Mijn legende loopt af en ik weet niet eens hoe ik er een keurig slot voor moet verzinnen'.

Zijn laatste opdracht voor drie koorramen in de Utrechtse Sint Catharinakerk voerde Nicolas uit in 1966.

Eind juli 1972, ruim twee maanden na de onthulling van zijn laatste raam, stierf Nicolas thuis aan een hartaanval. Overeenkomstig zijn wens werd hij begraven aan de voet van de basiliek van Sint Odiliënberg.

Joep Nicolas was een temperamentvolle, innemende, soms overdonderende persoonlijkheid. Hij genoot intens van het leven, was een onderhoudend causeur, een gulle gastheer en 'un homme à femmes' met een 'chaotisch liefdesleven' (Nicolas White, In glas gebrand, 11). Nicolas was een formidabel netwerker met een groot gevoel voor publiciteit, die de pers vaak naar zijn hand wist te zetten. Hoewel niet gespeend van zakelijk talent, raakte hij door zijn overdadige levensstijl soms in grote geldzorgen.

Bedevaart

Eeuwenlang heeft de kerk als bedevaartskerk gediend ter ere van de Moeder der Smarten.

De kerk bezit 2 Mariabeelden die vereerd worden: Maria met Kind en de Piëta.

Men ging op reis naar een heilige plek, begeleid door zegeningen en ceremonies, om bekenden en geloofsgenoten te ontmoeten in een sfeer van  gezelligheid. Of ook wel om een gedane gelofte te volbrengen omdat men als straf tot een bedevaart naar een heilig oord was veroordeeld. Het beeldje was aanvankelijk alleen voor de boeren uit de omgeving van betekenis. Zij zochten voorspoed, vruchtbaarheid en bescherming tegen ziekten en dood, honger en watersnood in ruil voor kippen, graan en kaarsen of devotiegiften van bijenwas of zilver. Na de vijfde eeuw groeide de Mariaverering. Vanaf de veertiende eeuw was Oud Zevenaar een bekende bedevaartplaats waar Maria werd vereerd. De Piëta (Moeder van Smarten/ Onze Lieve Vrouw van Smarten) dateert volgens kunstkenners uit 1440 en kan dus onmogelijk de oorsprong zijn van de Mariaverering. Het beeld Maria met Kind dat in het altaar boven de Piëta staat is gemaakt rond 1340. Het is aannemelijk dat de eerste bedevaarten naar dit beeld werden ondernomen. Een stichtingsbrief van het Onze Lieve Vrouwengilde uit 1431 maakt melding van een donatie voor de bouw van een Mariakerk waaruit blijkt dat er dan al een speciale verering voor Maria bestond.

In de aantekeningen van pastoor Lengell sr. staat dat de Mariakerk gebouwd werd met de “offers” van de vele pelgrims die het beeld van Maria bezochten. Het beeld genoot speciale

verering vanwege de wonderbaarlijke krachten die er van uit zouden gaan.

Van heinde en ver  trokken bedevaartgangers naar de middeleeuwse kerk aan de dijk om bij de moeder der Smarten  verhoring te vinden van de menselijke noden. En niet te vergeefs, als we de archieven mogen geloven. De geschiedenis verhaalt dat pelgrims deze heilige plaats bezochten en met gulle hand offerden. Het bouwen en herbouwen van de kerk moet mede mogelijk gemaakt zijn door de bijdragen van een niet aflatende stroom van pelgrims. Anders is het niet te verklaren dat een relatief kleine kerkgemeenschap er in slaagde zo’n grote kerk te bouwen en in stand te houden en in 1376 zoveel gelden moesten afstaan (tienden). Emmerich 33 shellingen, Oud-Zevenaar 40 en Groessen 19.

Na de tachtigjarige oorlog nam de betekenis af. Van pastoor Mulder (1807-1861) weten wij dat hij de bedevaartprocessies in verband met de ingeslopen misbruiken afschafte, voor sommigen was de bedevaart aanleiding tot allerlei vermaak. In er 1842 de processies van Groessen en Loo en vanuit Elten gehouden. In 1844 niet meer omdat er ongeregeldheden hadden voorgedaan. In het begin van de twintigste eeuw herleefde de devotie maar verdween in de jaren zestig.

In 1905 herleving van de Mariadevotie te Oud Zevenaar.

Op 10 oktober 1916 kwam er zelfs een hele groep gelovigen uit Gendringen.

De laatste bedevaart werd op 3 oktober 1965 gehouden binnen de eigen parochie.

Vandaag de dag is de belangrijkste functie van de Maria verering de voorbede tot haar als middelares, men bidt tot haar om verlichting in persoonlijke en publieke moeilijkheden en om het verlenen van allerlei gunsten. Er gaat immers voor sommigen van ons, in deze van het goddelijke afgewende tijden, een troostrijk perspectief schuil door de verering van Maria.

Piëta

In de middeleeuwen was de piëta het symbool van lijden, speciaal het lijden van Maria. Het beeld verwijst naar algemeen menselijk lijden. De piëta of Nood Gods in de kerk van Oud-Zevenaar, stelt de moeder van Smarten voor. De piëta is van gips, een afgietsel van het gestolen origineel uit  1440. De piëta is op 9 juni 1975 gestolen.

Maria zit op een bank met het dode lichaam van Christus op haar schoot. Zij buigt het hoofd iets voorover. Een sluier bedekt haar hoofd en schouders, terwijl zij het uiteinde van haar sluier vasthoudt. Christus hoofd hangt achterover, zijn armen liggen gekruist over het lichaam. Het gewaad van Maria valt in een groot aantal evenwijdige plooien tot op de grond. Het lichaam van Christus ligt recht en strak uitgemergeld op de schoot van Maria, afgebeeld in ronde lijnen en weelderige plooival (rouwgewaad). Het contrast van dood en leven zo schril en  harmonisch weergegeven.

De pietà is een devotiebeeld en is afgeleid van het piëta, Italiaans voor godsvrucht, barmhartigheid en medelijden. De ontstaans geschiedenis is niet duidelijk. De bewening van Christus is niet in de bijbel beschreven. Het zou hebben afgespeeld tussen de kruisafname en de graflegging. In de middeleeuwen is er een sterke behoefte om al het heilige te verbeelden. Het verbeelden van de dood kan gelden als voorbeeld van dat denken in concrete voorstellingen.

In 1390 is een piëta vervaardigd voor de Chartreuse in Dijon. Heel bekend is de marmeren piëta uit 1499/1500 van Michelangelo in de Sint Pieterskerk te Rome, de meest monumentale en harmonische uitbeelding.

Waar is het beeldje vervaardigd? Daarover bestaan verschillende meningen:

1)In het gebied langs de Rijn was albast een geliefd middel voor bewerking met beitel. De ateliers stonden in contact met de Italianen. De Riminimeesters.

2)De pieta wordt ingedeeld bij de groep albasten beeldjes door Swaezenski samengebracht rond het z.g. Meester van Rimini,

3)Anderen zijn van mening dat de herkomst gezocht moet worden in N. Frankrijk met mogelijk Rijssel als produktie centrum.

Over de manier waarop het beeld in de 15e eeuw in Oud Zevenaar terecht is gekomen doen twee verschillende verhalen de ronde:

A - Tijdens hoog water langs de dijk aangespoeld. Diverse keren teruggegooid maar dreef telkens op dezelfde plaats terug. (door kromme Dirk in het riet van de uiterwaarden gevonden.)

B - Johan van Loe een bekende ridder en drost van de Liemers, in dienst van Hertog van Kleef, deze  begeleidde hem op zijn kruistocht naar het H. Land. Hij had  het meegenomen, waarschijnlijk uit Bai? Rimini Italy. Of hij is getroffen door de uitbeelding van dit beeldje en daardoor gekocht in Bari.

De grote trekpleister was het kleine albasten piëta in 1440 gehouwen in de door de eeuwen grijs geworden albast en  30 cm hoog is. Voorstellende de bedroefde Maria die Christus na de kruis-afname op haar schoot legt. ( Moeder van Smarten), (De Nood Gods). Bij het origineel was de rechterarm hersteld.

A - Volgens een legende is het Maria heiligdom te danken aan het beeldje dat door “Kromme Dirc” in het riet in de uiterwaard werd gevonden. Een arme en mismaakte boerenjongen, Kromme Dirc, zwierf geregeld door de uiterwaarden langs de Rijn. Als kind wilde Dirc priester worden, maar zijn

mismaaktheid maakte hem ongeschikt voor het ambt. In zijn overspannen gemoedstoestand dacht hij er over een eind aan zijn leven te maken door zichzelf te verdrinken. Maar bewust van de zondigheid van zijn gedachten bad hij tot Maria.

In de uiterwaarden sjokkend zag hij plots tussen het riet een beeldje, klein en

onaanzienlijk, maar fijn besneden en fraai van vorm. Het stelde Maria voor met haar gestorven Zoon. Dirc ging zo vlug hij kon naar de koster, die hem op zijn beurt bij de pastoor bracht. Daar deed Dirc zijn verhaal.

Ondanks zijn bedenkingen ging de pastoor met Dirc mee, gevolgd door tal van dorpelingen die intussen het verhaal hadden gehoord.

Op de plek tussen het riet die Dirc had aangewezen vonden ze het beeldje, een Piëta. Men zag in de vondst een teken van de hemel en in processie werd het beeld naar de kerk van Oud-Zevenaar gebracht waar het een ereplaats kreeg.


B - De overlevering vertelt het verhaal van de Kleefse ambtsman Johan van de Loo. Deze Johan van de Loo maakte samen met de hertog van Kleef en andere edelen een pelgrimstocht naar het Heilige Land. In Jeruzalem wordt hij samen met de andere edelen tot ridder geslagen, een zeer gewaardeerde titel in de adellijke kringen. Op de terugtocht bezocht het gezelschap ook Rome en paus Nicolaas IV en men vierde er Kerstmis. Na een bezoek aan Napels, waar de koning van Italië werd bezocht, trok men huiswaarts. Na een pelgrimstocht die 51 weken duurde, keerde hij behouden terug en als dank schonk hij het beeldje voorstellende de Piëta aan de kerk van Oud-Zevenaar.

Hij hechtte veel waarde aan het beeldje zoals blijkt uit zijn testament uit 1467 waarin staat dat hij met zijn vrouw in de kerk van Oud-Zevenaar "vor dem belde Onser Liever Vrouwen ..." begraven wilde worden.

Dat de familie Van den Loe inderdaad in Oud-Zevenaar een begraafplaats heeft gehad, blijkt uit latere stukken waar van een Loëkapelle sprake is.

De Piëta's van Lorch, Rimini en Rome zijn als originelen te beschouwen; scheppingen die geringe verschillen vertonen in plooien, houding van de linkerarm van Maria en de neiging van haar hoofd. Dit piëtatype heeft ook in onze streken zijn verwanten, vermoedelijk van een meester in een Nederrijn of Westfaals atelier.


Tijdens de tachtig jarige oorlog was Pastoor Huetinck  van Ou-Zevenaar in 1580 genoodzaakt om binnen de muren van Zevenaar (op het kasteel Zevenaar) een veilig heenkomen te zoeken met medeneming van enkele kostbaarheden waaronder het miraculeus beeld, waar men vanaf 1300 (?) naar toe te bedevaart kwam, werd in veiligheid gebracht.

Vervolgens in vergetelheid geraakt werd uiteindelijk teruggevonden en geplaatst in de kerk van Zevenaar. Het werd herkend en opgeëist en naar Oud Zevenaar terug gebracht. Daarna weer terug gezet in de Mariakerk. Een legende is dat het beeldje, dat eigenlijk niet in de kerk te Zevenaar thuishoorde, zou op een nacht op eigen gelegenheid naar de St. Martinuskerk van Oud Zevenaar terug zijn gegaan.Dit verhaal ging van mond tot mond en al gauw wisten de mensen uit de weide omgeving van het miraculeuze beeld af.

De wondervolle gunste en genaden die men kreeg, trokken van heinde en ver  en nabij talrijke mensen naar O.Zevenaar. Die bezoekers brachten offers, die veel welvaart schonk, zodat men besloot om een nieuwe Mariakerk te bouwen.

Met zekerheid is vastgesteld dat Oud Zevenaar een plaats is geweest waar veel wonderen zijn geschied bij het beeldje van de Moeder van Smarten.

De schriftelijke bewijzen daarvan, die getuigden van de wondervolle gunsten door tussenkomst van de H. Maagd verkregen, zijn wellicht bij de plundering en brand van de St. Martinuskerk in de woelige jaren van de 80-jarige oorlog verloren gegaan.

Een andere versie is dat, de brief met zegel over de mirakelen bij de grote stadsbrand van Zevenaar in 1599 verloren zou zijn gegaan.


Helaas werd het beeldje op 9 juni 1975 gestolen.

Koster Th.van Megen, door bijna iedereen Theed genoemd, kwam die middag naar de pasto¬rie met de bood¬schap: "Pastoor, U zult Ma¬rietje wel meegenomen hebben."

De reactie van de pastoor was dan ook: "Toch niet." "Het staat ook niet in de kerk," antwoordde de koster. "Dan gaan we kijken." Samen zijn ze vanuit de pastorie naar de zij-ingang van de kerk ge-gaan. Daar vandaan kan men langs de pilaren heen op het Maria-altaar kijken. Een lege nis. Maria was inderdaad weg.

Op het Maria altaar was niets te zien van afdrukken van een hand, knie of voet, geen gekreukt altaarkleed. Geen spoor van inbraak te zien.

Toen na twee jaar het politieonderzoek niets heeft  opgeleverd heeft een lid van het kerkbestuur op eigen initiatief een paragnost geraadpleegd.

Hij zag 4 sleutels en een jonge blonde man van ongeveer 35 jaar die een sleutel heeft laten namaken. De jonge man kan bij de aannemer in dienst zijn geweest en spreekt Duits.

De paragnost gaat richting Oud Dusseldorf en ziet een groot plein, bierbrouwerij en een gerestaureerd 18de eeuws huis. Ook hebben tv programma’s aandacht gevraagd voor de diefstal, echter zonder resultaat.

Mariaviering

De meimaand is de maand om de Heilige Maria in het zonnetje te zetten. Het voorjaar manifesteert zich krachtig via (op)bloeiend leven: jonge dieren, fluitende vogels, frisse kleuren en geuren en zacht(er) weer. Ook Maria manifesteert zich op deze wijze: als leven doorgevende vrouw, toegewijde echtgenote en zorgzame en trouwe moeder van haar zoon, Jezus Christus. Maria is representatief voor het zachte, maar ook volhardende in het leven.

"We willen deze bijzondere vrouw, een prominent personage in de Rooms-Katholieke traditie, een speciale plaats geven in onze geloofsgemeenschap. Daarom is er in mei een speciale Mariaviering in de Sint-Martinuskerk. Als de weersomstandigheden het toelaten, houden we een korte tocht bij de kerk, waarin Maria door jongeren wordt meegedragen. Tijdens de viering zullen kinderen samen met een geestelijke een bloemenhulde aan Maria brengen. Een  koor zal de tocht en de viering opluisteren met mooie Marialiedjes.

Processie

Elk jaar op de zondag voor St. Jan (24 juni) viert men kermis. Voordat de kermis begint trekt de processie door Oud-Zevenaar, met muziek en zang wordt de monstans met een hostie rondgedragen. Het is al een eeuwen oude traditie in Oud–Zevenaar.

De 15 geheimen

Vreugdevolle gebeurtenissen.

De engel Gabriël brengt de blijde boodschap aan Maria.

Maria bezoekt haar nicht Elisabeth.

Jezus wordt geboren in een stal te Betlehem.

Jezus wordt in de tempel aan God opgedragen.

Jezus wordt in de tempel teruggevonden

   Treurige gebeurtenissen.

Jezus bidt in doodsangst tot zijn hemelse Vader.

Jezus wordt gegeseld.

Jezus wordt met doornen gekroond.

Jezus draagt zijn kruis naar de berg van Calvarië.

Jezus sterft aan het kruis.

     Glorievolle gebeurtenissen.

Jezus verrijst uit de doden.

Jezus stijgt op ten hemel.

De heilige Geest daalt neer over de apostelen.

Maria wordt in de hemel opgenomen.

Maria wordt in de hemel gekroond.

Teksten uit het dodenboek

Straf voor de zonde.

17 januari 1698. Begraven in het verwoeste gedeelte van de kerk Petrus, knecht van de aanzienlijke familie Van Hunnepel. Deze Petrus werd Zondagsmorgens aangemaand om naar de kerk te gaan. Hij was echter met Lutherse dwaalbegrippen behept en hij antwoordde: “Ik wil Maria niet gaan aanbidden, omdat zij ons toch niet kan helpen en zelf ook maar een zondares is”. Toen hij aan tafel wilde gaan zitten, nam een klein meisje, waarmee hij gespeeld had, een geweer in de handen en schoot per ongeluk een kogel door het hoofd van de knecht, zodat deze niets meer kon zeggen en ’s avonds is gestorven. Ik geloof ( zo tekent de pastoor aan), dat hij de straf heeft moeten ondergaan voor de lasteringen, welke hij met zijn tong tegen de H.Maagd heeft bedreven.


Dijkdoorbraak.

13 januari 1809. Bij de ongehoorde waterstroming van dit jaar is de dijk tegen het huis van Jan van Uum, Hoenderkamp te Ooy , gebroken, Jan van Uum oud 48 jaren ,dreef op een vak van zijn huis weg en wilde zich op een hoge wilgenboom bij de Buitenmolen redden. Door de ijsscotsen werd de boom vernield en is Jan van Uum in het water terecht gekomen en verdronken.


Dijkverschuiving.

28 september 1810. Bij het afgraven van de dijk bij Camphuysen, op koninklijk bevel, is onder de vallende massa aarde terecht gekomen Everardus Gertsen uit Didam en dezelfde dag gestorven.

21 februari 1814 Joannes Peters, oud 16 jaar wilde met zij stiefvader Jan bruintjes van ’t griet brandstof halen over het ijs, viel bij de tien-morgen boven de Noteboom er door, en verdronk


Metselaar.

Op 29 oktober 1825 behaagde de Goddelijke Voorzienigheid tot Zich te roepen ’n zekere Michael Kummeling, die in Zevenaar op het dak van de protestantse kerk reparaties verrichtte. Hij viel per ongeluk naar beneden en werd zwaar gekneusd, zodat hij spoedig overleed. Hij was een man, door iedereen geacht, zijn verscheiden werd door iedereen betreurd.


Paard.

Op 29 juli 1829 ging naar een beter leven over Johannes Petrus Heijnen is vandaag op jammerlijke wijze van zijn paard gevallen in de nabijheid van zijn weiland “de Bem” en heeft zijn hals gebroken.

’s Avonds om 8 uur  op 22 dec is hij begraven, hij was 58 jaar oud.

Heeft haar ziel aan de schepper teruggeschonken.

Ging van het eeuwig leven genieten.


Vicarieën.

In de parochie waren sinds oude tijden 2 vicarieën door weldoeners gesticht

1. De Lucia en Georgius Vicarie;

2. de Sint Anna Vicarie

Gedicht

Een gedicht over de St. Martinuskerk van Annie Harmsen



De Oldsenderse Martinuskerk,

kump nog vaak in mijn gedachten


Hoe zondagsmarges de klokken lujden,

dat ze ow verwachtten


Noar de mis van kwat oaver tien

elke zondag vaste  prik


Ginge wi-j naor de kerruk toe

mien vader en ik.


Achterop de fiets kroap ie dan

tegen de duffelse jas


Later dan begriep ie pas,

hoe biezonder of ut was.


Mien moeder die naar de vroegmis ging,

was dan allang weer tuus


Zi-j moes immers zurge,

veur ut ete en ut huus.


De  toren koj van wied al zien

de kerk is al zo oud


Hi-j is doar heel wat eeuwe trug

tegen de diek  gebouwd


As de muren  konden proaten, 

dan zoj kunnen heure


Oaver de perde van Napeleon

en wat er nog meer gebeurde


Wi-j zaten aan de Mariakant,

konde ut altaar hos niet zien


Maor wel dicht bej de rame

waor de zon zo mooi deur schien


Kieken nor de rute met verhale

in hele mooie kleuren


En dromen van de wonderen

die doar konden gebeuren


In ut verleden kwamen de processies,

naor ut  beeldje van Maria met Jesus op de slip


En lammen kreupelen en blinden

genazen in een wip


Mien moeder vertelde mien

van de krukken an de muur


Mor al die bewiezen zun

verdwenen op den duur


Als ik dan zat te dromen

gaf mijn vader mien een dow


Kom doe is met me beje,

kiek dan hier zun we now.


As de processie uuttrok,

dan was het altied dreug


Daor zurgde God dan zelf veur

as ik mien moeder geleuf.


In september liepen wi-j

- in en uut de kerk.


Dat was ut veertig ure gebed

het serieuze werk


Op 11 november: lantarentjes

van uitgeholde bieten


En  sint Martinus op het perd

waar je als kind van kon genieten


Maor het is ok de kerk

waor mien bruur is weggedragen,


mien vader en mien moeder ok

dat waren verdrietige dage


Vroeg of laat goan wei-j allemaol

net as hun de zelfde weg


en komen dan te ruste

achter de beukeheg


Die olde kerk blif nog wel staon.

As wi-j allang zun  weggegaon 

Copyright © 2013  -  Oud-Zevenaar 

Niets van deze site mag zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteur worden gebruikt. -  Wepdiezainer  -